1. In de vroegst bekende oorkonde van Nederland, gedateerd januari 1, 723, komt de naam ”Nifterlaco” voor het eerst voor[1]. Deze oorkonde is de eerste van een verzameling oorkonden die, in afschrift uit de 12e eeuw, bewaard zijn o.a. in het “Liber Donationem” van het bisdom Utrecht
723. januari 1. Karel Martel schenkt aan het klooster dat gebouwd is onder de muren van het castrum Traiectum, waarvan bisschop Willibrord beschermheer is, de baten van de fiscus van dat castrum, tevens de graslanden van Graveningo; evenzo de villa, ofwel castrum, “Fethna” genaamd, gelegen in de pago Nifterlaco met alle horigheden, zowel van de villa Fethnam castro als van het genoemde Traiectum castrum. Akte opgemaakt te Herstal. (Uittreksel).
Zoals reeds opgemerkt is de oorkonde in afschrift bekend uit de 12e eeuw. Er zijn andere afschriften bekend uit de 12e eeuw, waarin in plaats van Fethna, “Fetna” of “Fithna” staat. Van Fethna wordt vermeld dat het in de pagus Nifterlaco ligt. Nifterlaco wordt in een ander handschrift “Insterlaco genoemd. Het klooster van Willibrord dat de schenking ontvangt, ligt in of bij het castrum Traiectum.
2. In een oorkonde gedateerd 26 december, 834, wordt de pagus "Nifterlaca" nogmaals vermeld[2]. Ook deze oorkonde is opgenomen in het "Liber Donationem" van Utrecht.
Het betreft niet een koninklijke, maar een private schenking door een zekere Ovo en anderen.
834. december 26. Ovo en anderen schenken aan de kerk van Sint Martinus, gebouwd in het castello Traiecto in de pagus Nifterlaca, voor de zielerust van Wihbrehtti, al hetgeen hij bezat in Osterbac en in Prast. De priester Bernoldus tekent in opdracht van bisschop Fredericus. De akte is opgemaakt in de villa Osterbac.
Uit deze oorkonde blijkt, dat ook Traiectum in de pagus "Nifterlaca" moet liggen. Bezit in Osterbac en Prast - plaatsen in Hamaland - wordt geschonken aan de kathedrale kerk Sint Martinus in Traiectum. Zowel "Castrum Fethna" als het "castrum Traiectum" moeten gelokaliseerd worden in dezelfde gouw "Nifterlaca", of "Insterlake", zoals de streek in afschriften genoemd wordt.
3. Op 6 juni, 975 zijn - merkwaardig genoeg - door keizer Otto twee oorkonden uitgegeven met in feite dezelfde strekking:
a. Een van deze twee oorkonden van 6 juni 975 is, behoudens de namen van schenker en kanselier, vrijwel woordelijk gelijk aan een oorkonde van 21 april, 953[3].
975. juni 6[4]. Otto II schenkt aan de Martinuskerk, die gebouwd is in loco Trecht, de domeingoederen en de tol te Amuda, vroeger in het bezit van Waldger; de visserij op het Almere, de bezittingen van graaf Hatto te Lona, domeingoederen langs de Fecht, goederen van graaf Hatto te Eki aan de Rheni en de muntslag van loco Tret. Akte opgemaakt te Erpesfort.
b. 975. juni 6[5]. Otto II schenkt aan Sint Martinus, de kerk van Traiectum, in pago Nifterlaca, in het graafschap van Ruotbotonis, de villa Amuda genaamd, en al hetgeen zij nog niet bezat in Amuda, al hetgeen vroeger in bezit was van graaf Valger, tevens de tol in Amuda en de tol in Traiectum. Akte opgemaakt te Erpesfort.
Het regeringsjaar van Otto II is foutief.
Een ander afschrift van deze laatste oorkonde noemt in plaats van de "pago Nifterlaca" de "pago Instarlake".
Wat er met deze laatste oorkonde aan de hand is, is niet duidelijk, maar dat zij niet helemaal betrouwbaar is valt, bij lezing van de tekst, moeilijk te ontkennen.
4. De goederenlijst van Utrecht[6].
Deze goederenlijst geeft een opsomming van de bezittingen van de Sint Martinuskerk van Utrecht. Het oudst bekende afschrift van deze lijst bevindt zich in de codex van Egmond en dateert uit de 12e eeuw. Utrecht bezit een ander afschrift uit de 12e eeuw in het eerder genoemde "Liber Donationem" van de dom. Meerdere latere afschriften zijn bekend.
De kern van de goederenlijst is waarschijnlijk opgesteld in het midden van de 10e eeuw, nadat bisschop Balderic de zetel naar Utrecht had overgeplaatst. In later tijd zijn nog veel notities toegevoegd. De goederenlijst begint in de ons bekende handschriften met gegevens (hoewel enigszins gewijzigd) uit een oude oorkonde van Karel de Grote d.d. 8 juni, 777[7].
In de goederenlijst komt ook de naam "Niftarlaca" voor (in andere handschriften "Nifterlaca" of "Insterlaca"), namelijk de vermelding van de visserij op de wateren van "Niftarlaca".
S. Muller zegt in zijn bespreking van de goederenlijst het volgende over deze passage:
Bijzonder ingewikkeld zijn de bladzijden 43 en 44 der lijst, die blijkbaar, nadat men aan het einde de gehele beschikbare opene ruimte had beschreven, volgekrabbeld zijn geworden met allerlei marginale noten. Deze plaatsen behoeven dus nog ene afzonderlijke bespreking. Ik zeide reeds, dat ik vermoed, dat de gehele lijst der visscherijen ingelascht is[8].
De betrouwbaarheid van de in de goederenlijst opgenomen interpolaties is dus gering. Vermoedelijk wordt een naam uit oude oorkonden gebruikt om iets te claimen, hier de visserij in een bepaald gebied.
Nifterlaca, Insterlaca, Nisterlaca, Niflerlaca,
Bij vergelijking met de schrijfwijze van de letters in een (willekeurig) 10e eeuws handschrift kan ik me voorstellen dat Nifterlaca ook gelezen kan worden als Insterlaca, maar evt. ook als Nisterlaca of als Niflerlaca. De ft, st en fl zijn (in combinatie) vrijwel identiek. De plaats van het dwarsstreepje in de f en de t is bepalend, maar dit is niet altijd even duidelijk. Bij het kopiëren van een onbekende naam kan dit tot misverstanden leiden. In Utrecht was die naam in de 12e eeuw blijkbaar niet bekend, de kopiisten wisten kennelijk niet te kiezen tussen Nifterlaca en Insterlaca. De betekenis van Nifter, Inster en Nister is bij mijn weten onbekend. Nifl-er zou wanneer we vergelijken met Nivel-ungen en Nifl-ungen “nevel” kunnen betekenen. Niflerlaca zou dan zoiets zijn als “nevel-water”.
“Nifterlaca” komt, zoals we hebben gezien, in totaal viermaal voor. In de oorkonden van 723 en 834; in een (naar mijn mening weinig betrouwbare) oorkonde van 975, en tenslotte bij de, evenmin betrouwbare, “visserij in de wateren van Nifterlaca”.
De eerste twee stammen uit het bij de overplaatsing van de zetel naar Utrecht, omstreeks 950, meegenomen bisschoppelijk archief. De laatste twee komen uit de Utrechtse documentatie van na ± 950. In feite kennen we de naam van de “pagus Nifterlaca” (inster, nister, nifler) dus alleen redelijk betrouwbaar uit de twee oorkonden van 723 en 834.
Voor ons is van belang dat aangetoond moet worden dat zowel het castrum Traiectum als het castrum Fethna in een pagus Nifterlaca (of iets dergelijks) liggen. Waar is de plaats van castrum Fethna (of Fitna) aan te wijzen, en waar lag de pagus Nifterlaca?
At vatuca:
In de 36e jaargang van het tijdschrift Naamkunde is een artikel opgenomen van A. Schrijnemakers over het Atuatuca van Caesar. Schrijnemakers geeft een aantal plaatsen die claimen de Eburoonse vesting te zijn geweest[9]. Dat zijn er tientallen, maar uiteindelijk blijkt toch de voorkeur uit te gaan naar het op 4 km ten zuiden van Maastricht, op de Sint Pietersberg gelegen, Caestert. Na een opgraving in de jaren 1973-1975, waarbij bleek dat Caestert een praehistorische vesting moet zijn geweest, concludeerde Wankenne: “enfin Atuatuca!”[10]
In 2008 werd door RAAP, archeologisch Adviesbureau, een nieuwe opgraving ondernomen[11]. Er werd definitief vastgesteld dat Caestert een ijzertijd-vesting, een oppidum, is geweest, gesticht minstens 100 jaar vóór Christus, met een grootte van ca 20 ha. Alle voorwaarden die aan de plaats van Caesars vesting Atuatuca gesteld moeten worden zijn hier aanwezig. Inderdaad bevindt zich op 3 mijl afstand het Jekerdal, dat als het magna vallis kan worden beschouwd. De vesting ligt midden in het gebied van de Eburonen, op de juiste afstand van de kampen van Cicero en van Labienus.
Interpretatiepoging van de naam: Al sedert de 18e eeuw probeert men de betekenis van de naam Atuatuca te achterhalen. Als de meest waarschijnlijke geeft Schrijnemakers de verklaring van Carnoy[12]. Deze splitst de naam in ad-wat-uca. “Ad” of “at” en “uca” komen veelvuldig voor als delen van Keltische toponymen. Het Keltisch heeft het woord “vado” of “vato” voor “doorwaadbare plaats”. (Zo kennen we het oudste Nederlandse woord “vada” ook als voorde). Het onderdeel “wat” in de naam at- wat- uca heeft de betekenis van “doorwaadbare plaats”.
Ad vat uca betekent dus “stad aan een doorwaadbare plaats”. Maastricht heeft zijn ontstaan te danken aan de ligging bij een doorwaadbare plaats, dus de naam is wel zeer toepasselijk voor Maastricht. We mogen ervan uitgaan dat Caestert het lang gezochte At vatuca is. In SEMafoor 9.3. heb ik in een artikeltje “Caestert- Atvatvca ” de connectie tussen Maastricht en Caestert beschreven[13]. Maastricht is naar mijn mening vanuit Caestert ontstaan.
Castrum Vilta
Volgens Beda was de naam van Willibrords zetelplaats Traiectum, maar de mensen uit de streek spraken van Viltaburg. Die naam komt in de vroege bronnen viermaal voor:
1. Allereerst natuurlijk bij Beda, ± 730: “Pippijn wees hem een plaats voor zijn zetel in zijn eigen beroemde burcht, die in de oude taal van dat volk bekend stond als Viltaburg, dat is het oppidum Viltorum, maar het is in de Gallische spraak Traiectum”.
2. In zijn vita Gregorius schrijft Ludger, ± 750: “Traiectum, alias Viltaburg”. Ludger wist waarover hij schreef, want hij kreeg zijn opleiding in Traiectum.
3. De kroniek van Fontenelle, ± 840: Hierin wordt vermeld dat Traiectum, waar zich het klooster van Sint Servaas bevond (Maastricht), door de oude volkeren “Viltaburg” werd genoemd. Abt Wando van Fontenelle was daar van 719-747 in ballingschap geweest. Ook dit moet een betrouwbaar bericht zijn.
4. Vita Libuinus door Hucbald, ± 930: “Traiectum, door de ouden castrum Wiltenburg genoemd”.
Waarschijnlijk zullen zowel Ludger, als de kroniekschrijver, als Hucbald, Beda gelezen hebben en de schrijfwijze van hem hebben overgenomen. Waar komt die naam Viltaburg, die Beda gebruikt, vandaan? In het Latijn “oppidum Viltorum”, de vesting of het castrum Vilta[14]. De enige keer dat uit de context is op te maken waar we Viltaburg moeten zoeken, blijkt het Maastricht te zijn (zie 3).
Ik zou me kunnen voorstellen dat Caestert, het oppidum At Vatuca, later door de mensen van de streek Vatucaburg genoemd werd en door de Romeinen castrum Vata, dat vervolgens verbasterd is tot castrum Vilta of Fitna. Vanaf deze plek verplaatsten de activiteiten zich naar de doorwaadbare plaats aan de voet van de Sint Pietersberg. Het punt waar de Maas werd overgestoken is archeologisch vastgesteld door de vondst van een 9 meter lang restant van een, met maaskeitjes geplaveid, prehistorisch weggetje onder het huidige hotel Derlon[15]. De Romeinen bouwden daar in de eerste eeuw n.Chr. een brug. Naast Vilta komt vervolgens ook de Latijnse naam Traiectum (oversteekplaats) in gebruik.
Nivelle sur Meuse-Niviala
Zowel Traiectum (Maastricht) als castrum Fitna (Caestert) moeten liggen in de pagus Nifterlaca, zoals we eerder gezien hebben. Wat moeten we verstaan onder de pagus Nifterlaca? Het gebied waarin zowel Maastricht als Caestert liggen wordt al beschreven in de vita van Lambertus, geschreven omstreeks 735 door een tijdgenoot van Lambertus. Lambertus is ± 706 vermoord in Luik en vervolgens naar Maastricht gebracht om begraven te worden. Omstreeks 719 bracht bisschop Hubertus, leerling van Lambertus, diens lichaam weer naar Luik, waar door Hubertus op de plek van de moord een kerk was gebouwd. In processie werd het lichaam van Lambertus met heel veel volk, met priesters en hoogwaardigheidsbekleders van Maastricht naar Luik gebracht. Eerst werd halt gehouden in Niviala, nu het dorpje Nivelle-sur-Meuse bij Lixhe, waar een blinde vrouw genezen werd; en vervolgens in Herstal, waar een kreupele door een wonder weer ging lopen. Tenslotte ging de processie naar Luik waar Lambertus opnieuw begraven werd. In Nivelle en in Herstal werden spoedig daarna kerken gesticht.
De kerk van Nivelle werd de moederkerk voor het hele gebied van Maastricht tot Herstal. Nivelle moet al sedert Lambertus, waarschijnlijk zelfs vroeger, het bestuurscentrum voor dit hele gebied zijn geweest. Hubertus had er de visrechten. Nivelle is bestuurscentrum gebleven tot de Franse periode, eind 18e eeuw, zij het dat het gebied in de loop der tijd kleiner werd[16].
Hier bestond dus van oudsher de “pagus” Niviala. Als zowel Caestert (castrum Fitna) als Maastricht (castrum Traiectum) in de pagus Nifterlaca gezocht moeten worden, dan moet de pagus Nifterlaca identiek zijn aan de pagus Niviala. Denken we aan Nivel-ungen en Nifl-ungen, dan kan hier sprake zijn van Nivial-la, Nevel-water; en Nifl-erlaca, ook Nevel-water. Een mistig, nevelig, moerasgebied. Nivelle lag in een bocht van de Maas (in later tijd is die bocht door de Maas afgesneden), een nevelig moerassig gebied. Langs de Maas van Luik tot Maastricht zijn ook nu nog veel plaatsen aan te wijzen die laca genoemd worden. In het Waalse dialect: Lee, Laye, Leche, Lache. Mede hierom stelde de Belgische historicus en toponymist Jules Vannérus dat de “laeti lagenses prope Tungros”, genoemd in de Notitia Dignitatum, begin 5e eeuw, in het gebied van Caestert tot Visé te lokaliseren zijn (naast soldaat waren de laeti ook kolonisten)[17]. Dit gebied is duidelijk een “laca” gebied. Zowel in Nivelle als op andere plaatsen in het gebied zijn veel graven uit de Merovingische periode gevonden.
Besluit
De conclusie van bovenstaand betoog is: de pagus Niviala en de pagus Niflerlaca zijn identiek.
Harde bewijzen ontbreken, maar indien het gebied tussen Maastricht en Herstal inderdaad “Niflerlaca” is geweest, zou daarmee bewezen zijn dat de zetel van Willibrord zich te Maastricht bevond.
1 Muller-Bouman: Oorkondenboek van het Sticht Utrecht, nr. 35.
2 Idem, nr. 62.
3 Idem, nr.120.
4 Idem, nr.134.
5 Idem, nr.135.
6 Bergh van de L.: Oorkondenboek van Holland en Zeeland nr.33.
7 Muller-Bouman: Oorkondenboek van het Sticht Utrecht, nr. 48.
8 Muller S.: Het oudste cartularium van het Sticht Utrecht, p.43 en inleiding pag. XX, ’s Gravenhage 1892.
9 Schrijnemakers A.: Tijdschrift Naamkunde, 36e jaargang, 2005-2006, p.169, 173.
10 Wankenne A.: La Belgique au temps de Rome, p. 30, Presses universitaires de Namur, 1979.
11 Verhoeven M.P.F.: RAAP-rapport 1769, Archeologische evaluatie van het plateau van Caestert, 2008.
12 Carnoy A.: Origines des noms des communes de Belgique y comprit les noms des rivières et principaux hameaux I, 1948.
13 Kreijns H.: Caestert-Advatvca, SEMafoor 9.3, augustus 2008.
14 In Vechten, op ± 5 km van Utrecht, is sedert de 11e eeuw een hof Wiltenburg bekend. De naam Wiltenburg komt vaker voor, o.a. als familienaam. Een deel van de Sint Pietersberg bij Maastricht heette vroeger Wildeberg. Dat Wiltenburg of Wildeberg, Wilten of Wilden iets met Viltaburg te maken hebben is onwaarschijnlijk.
15 Panhuysen T.A.S.M.: Romeins Maastricht en zijn beelden, p. 20, Maastricht 1996.
16 Debouxhtay P.J.: Histoire de la Seigneurie de Nivelle-sur-Meuse et de l`ancienne paroisse de Lixhe, Luik 1935.
17 Vannérus J.: Le limes et les fortifications Gallo-Romaines de Belgiques, p. 228-254, 1942.
0 reacties:
Een reactie plaatsen