<?xml version='1.0' encoding='UTF-8'?><?xml-stylesheet href="http://www.blogger.com/styles/atom.css" type="text/css"?><feed xmlns='http://www.w3.org/2005/Atom' xmlns:openSearch='http://a9.com/-/spec/opensearchrss/1.0/' xmlns:georss='http://www.georss.org/georss' xmlns:gd='http://schemas.google.com/g/2005' xmlns:thr='http://purl.org/syndication/thread/1.0'><id>tag:blogger.com,1999:blog-9044284167901118874</id><updated>2011-08-09T14:48:42.563-07:00</updated><category term='Traiectum'/><category term='Kinheim'/><category term='Willibrord'/><category term='Peutingerkaart'/><title type='text'>viltaburg</title><subtitle type='html'></subtitle><link rel='http://schemas.google.com/g/2005#feed' type='application/atom+xml' href='http://hanskreijns.blogspot.com/feeds/posts/default'/><link rel='self' type='application/atom+xml' href='http://www.blogger.com/feeds/9044284167901118874/posts/default?max-results=100'/><link rel='alternate' type='text/html' href='http://hanskreijns.blogspot.com/'/><link rel='hub' href='http://pubsubhubbub.appspot.com/'/><author><name>Hans Kreijns</name><uri>http://www.blogger.com/profile/06808236206399647005</uri><email>noreply@blogger.com</email><gd:image rel='http://schemas.google.com/g/2005#thumbnail' width='16' height='16' src='http://img2.blogblog.com/img/b16-rounded.gif'/></author><generator version='7.00' uri='http://www.blogger.com'>Blogger</generator><openSearch:totalResults>14</openSearch:totalResults><openSearch:startIndex>1</openSearch:startIndex><openSearch:itemsPerPage>100</openSearch:itemsPerPage><entry><id>tag:blogger.com,1999:blog-9044284167901118874.post-3048981633423904751</id><published>2011-06-20T02:55:00.000-07:00</published><updated>2011-06-20T02:58:29.973-07:00</updated><title type='text'>kaartje Frisia</title><content type='html'>&lt;a href="http://2.bp.blogspot.com/-A1e4xZZ4w1k/Tf8ZpaEPkuI/AAAAAAAAAFE/30SKpp6-mXU/s1600/Scannen0004.jpg"&gt;&lt;img style="display:block; margin:0px auto 10px; text-align:center;cursor:pointer; cursor:hand;width: 299px; height: 400px;" src="http://2.bp.blogspot.com/-A1e4xZZ4w1k/Tf8ZpaEPkuI/AAAAAAAAAFE/30SKpp6-mXU/s400/Scannen0004.jpg" border="0" alt=""id="BLOGGER_PHOTO_ID_5620239059144119010" /&gt;&lt;/a&gt;&lt;div class="blogger-post-footer"&gt;&lt;img width='1' height='1' src='https://blogger.googleusercontent.com/tracker/9044284167901118874-3048981633423904751?l=hanskreijns.blogspot.com' alt='' /&gt;&lt;/div&gt;</content><link rel='replies' type='application/atom+xml' href='http://hanskreijns.blogspot.com/feeds/3048981633423904751/comments/default' title='Reacties plaatsen'/><link rel='replies' type='text/html' href='http://www.blogger.com/comment.g?blogID=9044284167901118874&amp;postID=3048981633423904751' title='0 reacties'/><link rel='edit' type='application/atom+xml' href='http://www.blogger.com/feeds/9044284167901118874/posts/default/3048981633423904751'/><link rel='self' type='application/atom+xml' href='http://www.blogger.com/feeds/9044284167901118874/posts/default/3048981633423904751'/><link rel='alternate' type='text/html' href='http://hanskreijns.blogspot.com/2011/06/kaartje-frisia.html' title='kaartje Frisia'/><author><name>Hans Kreijns</name><uri>http://www.blogger.com/profile/06808236206399647005</uri><email>noreply@blogger.com</email><gd:image rel='http://schemas.google.com/g/2005#thumbnail' width='16' height='16' src='http://img2.blogblog.com/img/b16-rounded.gif'/></author><media:thumbnail xmlns:media='http://search.yahoo.com/mrss/' url='http://2.bp.blogspot.com/-A1e4xZZ4w1k/Tf8ZpaEPkuI/AAAAAAAAAFE/30SKpp6-mXU/s72-c/Scannen0004.jpg' height='72' width='72'/><thr:total>0</thr:total></entry><entry><id>tag:blogger.com,1999:blog-9044284167901118874.post-1381423295331645340</id><published>2010-11-11T02:22:00.000-08:00</published><updated>2010-11-11T02:47:46.846-08:00</updated><title type='text'>De pagus Nifterlaca</title><content type='html'>De pagus Nifterlaca&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;1. In de vroegst bekende oorkonde van Nederland, gedateerd januari 1, 723, komt de naam ”Nifterlaco” voor het eerst voor[1]. Deze oorkonde is de eerste van een verzameling oorkonden die, in afschrift uit de 12e eeuw, bewaard zijn o.a. in het “Liber Donationem” van het bisdom Utrecht  &lt;br /&gt;      723. januari 1. Karel Martel schenkt aan het klooster dat gebouwd is onder de muren van het castrum Traiectum, waarvan bisschop Willibrord beschermheer is, de baten van de fiscus van dat castrum, tevens de graslanden van Graveningo; evenzo de villa, ofwel castrum, “Fethna” genaamd, gelegen in de pago Nifterlaco met alle horigheden, zowel van de villa Fethnam castro als van het genoemde Traiectum castrum. Akte opgemaakt te Herstal. (Uittreksel).&lt;br /&gt;Zoals reeds opgemerkt is de oorkonde in afschrift bekend uit de 12e eeuw. Er zijn andere afschriften bekend uit de 12e eeuw, waarin in plaats van Fethna, “Fetna” of “Fithna” staat. Van Fethna wordt vermeld dat het in de pagus Nifterlaco ligt. Nifterlaco wordt in een ander handschrift “Insterlaco genoemd. Het klooster van Willibrord dat de schenking ontvangt, ligt in of bij het castrum Traiectum.&lt;br /&gt;2. In een oorkonde gedateerd 26 december, 834, wordt de pagus "Nifterlaca" nogmaals vermeld[2].  Ook deze oorkonde is opgenomen in het "Liber Donationem" van Utrecht.&lt;br /&gt;Het betreft niet een koninklijke, maar een private schenking door een zekere Ovo en anderen.&lt;br /&gt;834. december 26.  Ovo en anderen schenken aan de kerk van Sint Martinus, gebouwd in het castello Traiecto in de pagus Nifterlaca, voor de zielerust van Wihbrehtti, al hetgeen hij bezat in Osterbac en in Prast. De priester Bernoldus tekent in opdracht van bisschop Fredericus.  De akte is opgemaakt in de villa Osterbac.  &lt;br /&gt;Uit deze oorkonde blijkt, dat ook Traiectum in de pagus "Nifterlaca" moet liggen. Bezit in Osterbac en Prast - plaatsen in Hamaland - wordt geschonken aan de kathedrale kerk Sint Martinus in Traiectum. Zowel "Castrum Fethna" als het "castrum Traiectum" moeten gelokaliseerd worden in dezelfde gouw "Nifterlaca", of "Insterlake", zoals de streek in afschriften genoemd wordt.&lt;br /&gt;3. Op 6 juni, 975 zijn - merkwaardig genoeg - door keizer Otto twee oorkonden uitgegeven met in feite dezelfde strekking:&lt;br /&gt;a. Een van deze twee oorkonden van 6 juni 975 is, behoudens de namen van schenker en kanselier, vrijwel woordelijk gelijk aan een oorkonde van 21 april, 953[3]. &lt;br /&gt;975. juni 6[4].  Otto II schenkt aan de Martinuskerk, die gebouwd is in loco Trecht, de domeingoederen en de tol te Amuda, vroeger in het bezit van Waldger; de visserij op het Almere, de bezittingen van graaf Hatto te Lona, domeingoederen langs de Fecht, goederen van graaf Hatto te Eki aan de Rheni en de muntslag van loco Tret. Akte opgemaakt te Erpesfort.  &lt;br /&gt;b.   975. juni 6[5].  Otto II schenkt aan Sint Martinus, de kerk van Traiectum, in pago Nifterlaca, in het graafschap van Ruotbotonis, de villa Amuda genaamd, en al hetgeen zij nog niet bezat in Amuda, al hetgeen vroeger in bezit was van graaf Valger, tevens de tol in Amuda en de tol in Traiectum. Akte opgemaakt te Erpesfort.&lt;br /&gt;Het regeringsjaar van Otto II is foutief.&lt;br /&gt;Een ander afschrift van deze laatste oorkonde noemt in plaats van de "pago Nifterlaca" de "pago Instarlake".     &lt;br /&gt;Wat er met deze laatste oorkonde aan de hand is, is niet duidelijk, maar dat zij niet helemaal betrouwbaar is valt, bij lezing van de tekst, moeilijk te ontkennen.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;4. De goederenlijst van Utrecht[6]. &lt;br /&gt;Deze goederenlijst geeft een opsomming van de bezittingen van de Sint Martinuskerk van Utrecht. Het oudst bekende afschrift van deze lijst bevindt zich in de codex van Egmond en dateert uit de 12e eeuw. Utrecht bezit een ander afschrift uit de 12e eeuw in het eerder genoemde "Liber Donationem" van de dom.  Meerdere latere afschriften zijn bekend.&lt;br /&gt;De kern van de goederenlijst is waarschijnlijk opgesteld in het midden van de 10e eeuw, nadat bisschop Balderic de zetel naar Utrecht had overgeplaatst. In later tijd zijn nog veel notities toegevoegd. De goederenlijst begint in de ons bekende handschriften met gegevens (hoewel enigszins gewijzigd) uit een oude oorkonde van Karel de Grote d.d. 8 juni, 777[7]. &lt;br /&gt;In de goederenlijst komt ook de naam "Niftarlaca" voor (in andere handschriften "Nifterlaca" of "Insterlaca"), namelijk de vermelding van de visserij op de wateren van "Niftarlaca".&lt;br /&gt;S. Muller zegt in zijn bespreking van de goederenlijst het volgende over deze passage: &lt;br /&gt;Bijzonder ingewikkeld zijn de bladzijden 43 en 44 der lijst, die blijkbaar, nadat men aan het einde de gehele beschikbare opene ruimte had beschreven, volgekrabbeld zijn geworden met allerlei marginale noten.  Deze plaatsen behoeven dus nog ene afzonderlijke bespreking. Ik zeide reeds, dat ik vermoed, dat de gehele lijst der visscherijen ingelascht is[8]. &lt;br /&gt;De betrouwbaarheid van de in de goederenlijst opgenomen interpolaties is dus gering. Vermoedelijk wordt een naam uit oude oorkonden gebruikt om iets te claimen, hier de visserij in een bepaald gebied.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Nifterlaca, Insterlaca, Nisterlaca, Niflerlaca,&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Bij vergelijking met de schrijfwijze van de letters in een (willekeurig) 10e eeuws handschrift kan ik me voorstellen dat Nifterlaca ook gelezen kan worden als Insterlaca, maar evt. ook als Nisterlaca of als Niflerlaca. De ft, st en fl zijn (in combinatie) vrijwel identiek. De plaats van het dwarsstreepje in de f en de t is bepalend, maar dit is niet altijd even duidelijk. Bij het kopiëren van een onbekende naam kan dit tot misverstanden leiden. In Utrecht was die naam in de 12e eeuw blijkbaar niet bekend, de kopiisten  wisten kennelijk niet te kiezen tussen Nifterlaca en Insterlaca. De betekenis van Nifter, Inster en Nister is bij mijn weten onbekend. Nifl-er zou wanneer we vergelijken met Nivel-ungen en Nifl-ungen “nevel” kunnen betekenen. Niflerlaca zou dan zoiets zijn als “nevel-water”. &lt;br /&gt;“Nifterlaca” komt, zoals we hebben gezien, in totaal viermaal voor. In de oorkonden van 723 en 834; in een (naar mijn mening weinig betrouwbare) oorkonde van 975, en tenslotte bij de, evenmin betrouwbare, “visserij in de wateren van Nifterlaca”. &lt;br /&gt;De eerste twee stammen uit het bij de overplaatsing van de zetel naar Utrecht, omstreeks 950, meegenomen bisschoppelijk archief. De laatste twee komen uit de Utrechtse documentatie van na ± 950. In feite kennen we de naam van de “pagus Nifterlaca” (inster, nister, nifler) dus alleen redelijk betrouwbaar uit de twee oorkonden van 723 en 834.&lt;br /&gt;Voor ons is van belang dat aangetoond moet worden dat zowel het castrum Traiectum als het castrum Fethna in een pagus Nifterlaca (of iets dergelijks) liggen. Waar is de plaats van castrum Fethna (of Fitna) aan te wijzen, en waar lag de pagus Nifterlaca?&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;At vatuca:&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;In de 36e jaargang van het tijdschrift Naamkunde is een artikel opgenomen van A. Schrijnemakers over het Atuatuca van Caesar.  Schrijnemakers geeft een aantal plaatsen die claimen de Eburoonse vesting te zijn geweest[9]. Dat zijn er tientallen, maar uiteindelijk blijkt toch de voorkeur uit te gaan naar het op 4 km ten zuiden van Maastricht, op de Sint Pietersberg gelegen, Caestert. Na een opgraving in de jaren 1973-1975, waarbij bleek dat  Caestert een praehistorische vesting moet zijn geweest, concludeerde Wankenne: “enfin Atuatuca!”[10]  &lt;br /&gt;In 2008 werd door RAAP, archeologisch Adviesbureau, een nieuwe opgraving ondernomen[11].  Er werd definitief vastgesteld dat Caestert een ijzertijd-vesting, een oppidum, is geweest, gesticht minstens 100 jaar vóór Christus, met een grootte van ca 20 ha. Alle voorwaarden die aan de plaats van Caesars vesting Atuatuca gesteld moeten worden zijn hier aanwezig. Inderdaad bevindt zich op 3 mijl afstand het Jekerdal, dat als het magna vallis kan worden beschouwd. De vesting ligt midden in het gebied van de Eburonen, op de juiste afstand van de kampen van Cicero en van Labienus.&lt;br /&gt;Interpretatiepoging van de naam: Al sedert de 18e eeuw probeert men de betekenis van de naam Atuatuca te achterhalen. Als de meest waarschijnlijke geeft Schrijnemakers de verklaring van Carnoy[12].  Deze splitst de naam in ad-wat-uca. “Ad” of “at” en “uca” komen veelvuldig voor als delen van Keltische toponymen. Het Keltisch heeft het woord “vado” of “vato” voor “doorwaadbare plaats”. (Zo kennen we het oudste Nederlandse woord “vada” ook als voorde). Het onderdeel “wat” in de naam at- wat- uca heeft de betekenis van “doorwaadbare plaats”.&lt;br /&gt;Ad vat uca betekent dus “stad aan een doorwaadbare plaats”. Maastricht heeft zijn ontstaan te danken aan de ligging bij een doorwaadbare plaats, dus de naam is wel zeer toepasselijk voor Maastricht. We mogen ervan uitgaan dat Caestert het lang gezochte At vatuca is. In SEMafoor 9.3. heb ik in een artikeltje “Caestert- Atvatvca ” de connectie tussen Maastricht en Caestert beschreven[13].  Maastricht is naar mijn mening vanuit Caestert ontstaan.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Castrum Vilta&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Volgens Beda was de naam van Willibrords zetelplaats Traiectum, maar de mensen uit de streek spraken van Viltaburg. Die naam komt in de vroege bronnen viermaal voor: &lt;br /&gt;1. Allereerst natuurlijk bij Beda, ± 730: “Pippijn wees hem een plaats voor zijn zetel in zijn eigen beroemde burcht, die in de oude taal van dat volk bekend stond als Viltaburg, dat is het oppidum Viltorum, maar het is in de Gallische spraak Traiectum”.&lt;br /&gt;2. In zijn vita Gregorius schrijft Ludger, ± 750: “Traiectum, alias Viltaburg”. Ludger wist waarover hij schreef, want hij kreeg zijn opleiding in Traiectum.&lt;br /&gt;3. De kroniek van Fontenelle, ± 840: Hierin wordt vermeld dat Traiectum, waar zich het klooster van Sint Servaas bevond (Maastricht), door de oude volkeren “Viltaburg” werd genoemd. Abt Wando van Fontenelle was daar van 719-747 in ballingschap geweest. Ook dit moet een betrouwbaar bericht zijn.&lt;br /&gt;4. Vita Libuinus door Hucbald, ± 930: “Traiectum, door de ouden castrum Wiltenburg genoemd”.&lt;br /&gt;Waarschijnlijk zullen zowel Ludger, als de kroniekschrijver, als Hucbald, Beda gelezen hebben en de schrijfwijze van hem hebben overgenomen. Waar komt die naam Viltaburg, die Beda gebruikt, vandaan? In het Latijn “oppidum Viltorum”, de vesting of het castrum Vilta[14].  De enige keer dat uit de context is op te maken waar we Viltaburg moeten zoeken, blijkt het Maastricht te zijn (zie 3).&lt;br /&gt;Ik zou me kunnen voorstellen dat Caestert, het oppidum At Vatuca, later door de mensen van de streek Vatucaburg genoemd werd en door de Romeinen castrum Vata, dat vervolgens verbasterd is tot castrum Vilta of Fitna. Vanaf  deze plek verplaatsten de activiteiten zich naar de doorwaadbare plaats aan de voet van de Sint Pietersberg. Het punt waar de Maas werd overgestoken is archeologisch vastgesteld door de vondst van een 9 meter lang restant van een, met maaskeitjes geplaveid, prehistorisch weggetje onder het huidige hotel Derlon[15].  De Romeinen bouwden daar in de eerste eeuw n.Chr. een brug. Naast Vilta komt vervolgens ook de Latijnse naam Traiectum (oversteekplaats) in gebruik.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Nivelle sur Meuse-Niviala  &lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Zowel Traiectum (Maastricht) als castrum Fitna (Caestert) moeten liggen in de pagus Nifterlaca, zoals we eerder gezien hebben. Wat moeten we verstaan onder de pagus Nifterlaca? Het gebied waarin zowel Maastricht als Caestert liggen wordt al beschreven in de vita van Lambertus, geschreven omstreeks 735 door een tijdgenoot van Lambertus. Lambertus is ± 706 vermoord in Luik en vervolgens naar Maastricht gebracht om begraven te worden. Omstreeks 719 bracht bisschop Hubertus, leerling van Lambertus, diens lichaam weer naar Luik, waar door Hubertus op de plek van de moord een kerk was gebouwd. In processie werd het lichaam van Lambertus met heel veel volk, met priesters en hoogwaardigheidsbekleders van Maastricht naar Luik gebracht. Eerst werd halt gehouden in Niviala, nu het dorpje Nivelle-sur-Meuse bij Lixhe, waar een blinde vrouw genezen werd; en vervolgens in Herstal, waar een kreupele door een wonder weer ging lopen. Tenslotte ging de processie naar Luik waar Lambertus opnieuw begraven werd. In Nivelle en in Herstal werden spoedig daarna kerken gesticht.&lt;br /&gt;De kerk van Nivelle werd de moederkerk voor het hele gebied van Maastricht tot Herstal. Nivelle moet al sedert Lambertus, waarschijnlijk zelfs vroeger, het bestuurscentrum voor dit hele gebied zijn geweest. Hubertus had er de visrechten. Nivelle is bestuurscentrum gebleven tot de Franse periode, eind 18e eeuw, zij het dat het gebied in de loop der tijd  kleiner werd[16].  &lt;br /&gt;Hier bestond dus van oudsher de “pagus” Niviala. Als zowel Caestert (castrum Fitna) als Maastricht (castrum Traiectum) in de pagus Nifterlaca gezocht moeten worden, dan moet de pagus Nifterlaca identiek zijn aan de pagus Niviala. Denken we aan Nivel-ungen en Nifl-ungen, dan kan hier sprake zijn van Nivial-la, Nevel-water; en Nifl-erlaca, ook Nevel-water. Een mistig, nevelig, moerasgebied. Nivelle lag in een bocht van de Maas (in later tijd is die bocht door de Maas afgesneden), een nevelig moerassig gebied. Langs de Maas van Luik tot Maastricht zijn ook nu nog veel plaatsen aan te wijzen die laca genoemd worden. In het Waalse dialect: Lee, Laye, Leche, Lache. Mede hierom stelde de Belgische historicus en toponymist Jules Vannérus dat de “laeti lagenses prope Tungros”, genoemd in de Notitia Dignitatum, begin 5e eeuw, in het gebied van Caestert tot Visé te lokaliseren zijn (naast soldaat waren de laeti ook kolonisten)[17].  Dit gebied is duidelijk een “laca” gebied. Zowel in Nivelle als op andere plaatsen in het gebied zijn veel graven uit de Merovingische periode gevonden.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Besluit&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;De conclusie van bovenstaand betoog is: de pagus Niviala en de pagus Niflerlaca zijn identiek.&lt;br /&gt;Harde bewijzen ontbreken, maar indien het gebied tussen Maastricht en Herstal inderdaad “Niflerlaca” is geweest, zou daarmee bewezen zijn dat de zetel van Willibrord zich te Maastricht bevond. &lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;br /&gt; 1 Muller-Bouman: Oorkondenboek van het Sticht Utrecht, nr. 35.&lt;br /&gt; 2 Idem, nr.  62.&lt;br /&gt; 3 Idem, nr.120.&lt;br /&gt; 4 Idem, nr.134.&lt;br /&gt; 5 Idem, nr.135.&lt;br /&gt; 6 Bergh van de L.: Oorkondenboek van Holland en Zeeland nr.33.&lt;br /&gt; 7 Muller-Bouman: Oorkondenboek van het Sticht Utrecht, nr. 48.&lt;br /&gt; 8 Muller S.: Het oudste cartularium van het Sticht Utrecht, p.43 en inleiding pag. XX, ’s Gravenhage 1892. &lt;br /&gt; 9 Schrijnemakers A.: Tijdschrift Naamkunde, 36e jaargang, 2005-2006, p.169, 173.&lt;br /&gt; 10 Wankenne A.: La Belgique au temps de Rome, p. 30, Presses universitaires de Namur, 1979.&lt;br /&gt; 11 Verhoeven M.P.F.: RAAP-rapport 1769, Archeologische evaluatie van het plateau van Caestert, 2008.&lt;br /&gt; 12 Carnoy A.: Origines des noms des communes de Belgique y comprit les noms des rivières et principaux hameaux I, 1948.&lt;br /&gt; 13 Kreijns H.: Caestert-Advatvca, SEMafoor 9.3, augustus 2008.&lt;br /&gt; 14 In Vechten, op ± 5 km van Utrecht, is sedert de 11e eeuw een hof Wiltenburg bekend. De naam Wiltenburg komt vaker voor, o.a. als familienaam. Een deel van de Sint Pietersberg bij Maastricht heette vroeger Wildeberg. Dat Wiltenburg of Wildeberg, Wilten of Wilden iets met Viltaburg te maken hebben is onwaarschijnlijk.&lt;br /&gt;  15 Panhuysen T.A.S.M.: Romeins Maastricht en zijn beelden, p. 20, Maastricht 1996.&lt;br /&gt;  16 Debouxhtay P.J.: Histoire de la Seigneurie de Nivelle-sur-Meuse et de l`ancienne paroisse de Lixhe, Luik 1935.&lt;br /&gt;  17 Vannérus J.: Le limes et les fortifications Gallo-Romaines de Belgiques, p. 228-254, 1942.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;a href="http://1.bp.blogspot.com/_uFgpU1xc8Sk/TNvGnG0PTuI/AAAAAAAAAEo/GZZq_wF0ffQ/s1600/Pagus%2BNiviala.jpg"&gt;&lt;img style="display:block; margin:0px auto 10px; text-align:center;cursor:pointer; cursor:hand;width: 267px; height: 400px;" src="http://1.bp.blogspot.com/_uFgpU1xc8Sk/TNvGnG0PTuI/AAAAAAAAAEo/GZZq_wF0ffQ/s400/Pagus%2BNiviala.jpg" border="0" alt=""id="BLOGGER_PHOTO_ID_5538238541929074402" /&gt;&lt;/a&gt;&lt;div class="blogger-post-footer"&gt;&lt;img width='1' height='1' src='https://blogger.googleusercontent.com/tracker/9044284167901118874-1381423295331645340?l=hanskreijns.blogspot.com' alt='' /&gt;&lt;/div&gt;</content><link rel='replies' type='application/atom+xml' href='http://hanskreijns.blogspot.com/feeds/1381423295331645340/comments/default' title='Reacties plaatsen'/><link rel='replies' type='text/html' href='http://www.blogger.com/comment.g?blogID=9044284167901118874&amp;postID=1381423295331645340' title='0 reacties'/><link rel='edit' type='application/atom+xml' href='http://www.blogger.com/feeds/9044284167901118874/posts/default/1381423295331645340'/><link rel='self' type='application/atom+xml' href='http://www.blogger.com/feeds/9044284167901118874/posts/default/1381423295331645340'/><link rel='alternate' type='text/html' href='http://hanskreijns.blogspot.com/2010/11/de-pagus-nifterlaca.html' title='De pagus Nifterlaca'/><author><name>Hans Kreijns</name><uri>http://www.blogger.com/profile/06808236206399647005</uri><email>noreply@blogger.com</email><gd:image rel='http://schemas.google.com/g/2005#thumbnail' width='16' height='16' src='http://img2.blogblog.com/img/b16-rounded.gif'/></author><media:thumbnail xmlns:media='http://search.yahoo.com/mrss/' url='http://1.bp.blogspot.com/_uFgpU1xc8Sk/TNvGnG0PTuI/AAAAAAAAAEo/GZZq_wF0ffQ/s72-c/Pagus%2BNiviala.jpg' height='72' width='72'/><thr:total>0</thr:total></entry><entry><id>tag:blogger.com,1999:blog-9044284167901118874.post-7361034032620432009</id><published>2009-03-02T12:28:00.000-08:00</published><updated>2009-03-02T13:01:00.032-08:00</updated><title type='text'>Katwijk en de Ostia Rheni</title><content type='html'>Katwijk en de Ostia Rheni&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Inleiding:&lt;br /&gt;De vraag wat te verstaan onder het begrip “Ostia Rheni” (de monden van de Rhenus), wanneer er sprake is van aankomst op één bepaalde plaats, is tot op heden niet beantwoord. In de literatuur betreffende de vroege geschiedenis van Utrecht wordt die vraag regelmatig gesteld.&lt;br /&gt;Poelman wijst Katwijk als aankomstplaats van Willibrord in de “Ostia Rheni” af. Hij gaat er van uit dat, indien het handelsverkeer van Engeland met ons land via de Rijnmond bij Katwijk naar Utrecht ging, Noorse en Engelse handel elkaar in Utrecht ontmoet zouden hebben, waardoor Utrecht een machtige handelsplaats zou zijn geworden. Dit is echter niet het geval. Dat zeeschepen de Oude Rijn bevoeren, wordt door niets bewezen.&lt;a title="" style="mso-endnote-id: edn1" href="http://hanskreijns.blogspot.com/2009/03/spot-condescension-reu-which-i-think.html#a"&gt;[1]&lt;/a&gt; Het scheepvaartverkeer met Engeland verliep volgens Poelman dan ook via de Zeeuwse wateren.&lt;br /&gt;Weiler is dezelfde mening toegedaan, overigens op basis van een ander argument. Naar zijn mening is “daar Utrecht nog in handen is van Radboud” Willibrords aankomst in de Rijnmonding bij Katwijk, in de monden van de Rhenus zoals Alcuinus de plaats van aankomst beschrijft, uitgesloten.&lt;a title="" style="mso-endnote-id: edn1" href="http://hanskreijns.blogspot.com/2009/03/spot-condescension-reu-which-i-think.html#2"&gt;[2]&lt;/a&gt; Ook Weiler meent dat de “Ostia Rheni” aan de Maas-Rijn-monding gezocht moet worden, de aankomst van Willibrord meer specifiek in Grevelingen.&lt;br /&gt;Halbertsma daarentegen meent dat de beschrijving van Alquinus alleen op Katwijk kan slaan, mede omdat Alquinus in een gedicht zijn eigen ervaring bij aankomst beschrijft: van de Ostia Rheni via Traiectum langs Dorestate naar Keulen.&lt;a title="" style="mso-endnote-id: edn1" href="http://hanskreijns.blogspot.com/2009/03/spot-condescension-reu-which-i-think.html#a3"&gt;[3]&lt;/a&gt;  De volgorde duidt op de Rijnmonding bij Katwijk.  Halbertsma veronderstelt, hoewel het zeer onwaarschijnlijk is dat Willibrord vanuit Ierland met zijn twaalf gezellen eerst naar Northumberland zou trekken, dat Willibrord uit York naar het vasteland is gevaren. Vanuit York zou hij dan eerst de monding bij Katwijk bereiken, pas later de Zeeuwse wateren. &lt;br /&gt;Gezien de verschillende meningen dringt de vraag zich op, was Katwijk een zeehaven en tot wanneer is de Oude Rijn bevaarbaar geweest?&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;De Oude Rijn in de Romeinse periode:&lt;br /&gt;Bij de komst van de Romeinen was de Oude Rijn in ieder geval bevaarbaar. De limes werd langs de Oude Rijn aangelegd en er zijn Romeinse boten gevonden in Vechten, Woerden, en Zwammerdam. Maar was er sprake van een zeehaven, werd graan uit Engeland via de monding bij Katwijk aangevoerd? Hier moet ernstig aan getwijfeld worden. De Romeinse boten die in de Oude Rijn gevonden zijn, zijn platbodems, rivierschepen dus. Zeewaardige schepen zijn niet gevonden. Bij Katwijk (Brittenburg) en Valkenburg zijn wel horrea (graanpakhuizen) aangetoond, maar waar kwam het aangevoerde graan vandaan? Er zijn, in één van de platbodems die in Woerden gevonden zijn, graankorrels aangetroffen van graan dat afkomstig blijkt te zijn uit Zuid-Nederland of België.&lt;a title="" style="mso-endnote-id: edn1" href="http://hanskreijns.blogspot.com/2009/03/spot-condescension-reu-which-i-think.html#a4"&gt;[4]&lt;/a&gt; &lt;br /&gt;Er wordt wel aangenomen dat nog in de vierde eeuw graan vanuit Engeland werd aangevoerd om via de monding van de Oude Rijn verder verscheept te worden naar de Rijnforten Castra Hercules, Colonia Traiana, en andere forten ten zuiden daarvan. Dit wordt verondersteld, omdat keizer Julianus in 359 een aantal forten langs de Rijn had terugveroverd op de Germanen en daar onder andere graanvoorraden aanlegde.&lt;a title="" style="mso-endnote-id: edn1" href="http://hanskreijns.blogspot.com/2009/03/spot-condescension-reu-which-i-think.html#a5"&gt;[5]&lt;/a&gt;  Of dit graan via de Oude Rijn of via de Zeeuwse wateren werd aangevoerd wordt nergens vermeld. &lt;br /&gt;Volgens Tacitus voeren Romeinse bevoorradingsschepen uit Gallië via de Zeeuwse wateren.&lt;a title="" style="mso-endnote-id: edn1" href="http://hanskreijns.blogspot.com/2009/03/spot-condescension-reu-which-i-think.html#a6"&gt;[6]&lt;/a&gt; Hij beschrijft een treffen  van Bataafse en Romeinse (rivier)schepen op het einde van de Bataafse opstand. Het treffen heeft plaats op “een kleine zee, daar waar de mond van de Maas het water van de Rijn naar de oceaan voert.” De bedoeling van de Bataafse vlootactie was het hinderen van de uit Gallië komende Romeinse bevoorradingsschepen, die naar Rijn of Maas wilden varen.  &lt;br /&gt;Dat transport van graan en andere producten van over zee naar het vasteland gedurende de Romeinse tijd verliep via de Zeeuwse wateren is ook bekend door de Nehallenia-altaren die gevonden zijn in de Oosterschelde.  Wij-altaren zijn bij Katwijk niet gevonden, hetgeen toch te verwachten zou zijn indien Katwijk een zeehaven was.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Ontwikkeling Oude Rijn vanaf de Romeinse tijd.:&lt;br /&gt;Uit de bestaande literatuur over dit onderwerp is niet met zekerheid vast te stellen hoe de ontwikkeling precies verlopen is. Vermoedelijk is al in de Romeinse periode de verzanding van de Rijnmonding bij  Katwijk begonnen. Tot ongeveer het begin van de jaartelling wordt de Oude Rijn gevoed door de Kromme Rijn én de Linschoten Stroom. De Nederrijn splitste zich bij Wijk bij Duurstede in de Kromme Rijn, die voorbij het huidige Utrecht Oude Rijn wordt genoemd; en de Linschoten Stroom die bij Woerden zich weer bij de Oude Rijn voegde. De Lek speelde in die tijd nauwelijks een rol van betekenis. Al vóór het begin van de jaartelling is de Linschoten Stroom zich naar het zuiden gaan afbuigen, de verbinding met de Oude Rijn werd verbroken. De Linschoten Stroom voerde sindsdien zijn water af naar de Lek, die in de Maas-Rijn-monding uitstroomde.&lt;a title="" style="mso-endnote-id: edn1" href="http://hanskreijns.blogspot.com/2009/03/spot-condescension-reu-which-i-think.html#a7"&gt;[7]&lt;/a&gt;  Vanaf ± 300 na Chr. neemt de Lek steeds meer in betekenis toe. Het toenemend belang van de Lek ten koste van de Oude Rijn gaat in de volgende eeuwen door. Minder water door de Oude Rijn betekent snellere verzanding. Dit proces zet zich voort tot uiteindelijk de Oude Rijn niet meer bevaarbaar is. Op welk moment dit punt bereikt wordt is niet bekend.&lt;br /&gt;Vanaf de Romeinse tijd voltrekt zich de vorming van de jonge duinen langs de Hollandse kust. De veranderingen langs de kust beginnen meestal in het zuiden en pas later in het noorden. De riviermondingen van Maas en Rijn zijn zwakke schakels in de Hollandse kust, waar met enige regelmaat inbraken van de zee plaatsvinden en steeds opnieuw waddengebieden gevormd worden.&lt;a title="" style="mso-endnote-id: edn1" href="http://hanskreijns.blogspot.com/2009/03/spot-condescension-reu-which-i-think.html#a8"&gt;[8]&lt;/a&gt; Ook vanuit zee zal de monding bij Katwijk meer en meer gesloten zijn.   &lt;br /&gt;We mogen aannemen dat de Romeinen hun forten langs de limes tussen Noordzee en Castra Hercules verlaten hebben wegens toenemende wateroverlast. Dat zij zich uit dit gebied zouden hebben laten verdrijven door Germaanse stammen is niet erg geloofwaardig. Het Oude Rijn gebied overstroomde sedert de Romeinse tijd waarschijnlijk jaarlijks. Het Romeinse niveau is door kleilagen overdekt, plaatselijk zelfs tot enkele meters. Ook in Utrecht zijn dikke kleilagen vastgesteld.&lt;a title="" style="mso-endnote-id: edn1" href="http://hanskreijns.blogspot.com/2009/03/spot-condescension-reu-which-i-think.html#a9"&gt;[9]&lt;/a&gt;  De oorzaak van deze  overstromingen is vermoedelijk de verzanding van de monding van de Oude Rijn.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;De schriftelijke bronnen betreffende de “Ostia Rheni”.&lt;br /&gt;De term “Ostia Rheni” komt al voor in Romeinse geschriften, maar dan wordt verwezen naar de drie verschillende Rijnmonden, niet naar één bepaalde plaats. De monden van de Rhenus zijn volgens Plinius: in het noorden het Flevum, in het westen de stroom van de Maas (en de Waal), in het midden de Rhenus die daar zijn eigen naam behoudt.&lt;br /&gt;Vervolgens komen we de term pas weer tegen in de achtste eeuw. Alcuinus duidt zo de plaats aan waar Willibrord na zijn overtocht vanuit Engeland aankomt. Alcuinus kent deze Rijnmonding uit eigen ervaring zoals hij, ruim gebruik makend van dichterlijke vrijheid, in een gedicht beschrijft.&lt;a title="" style="mso-endnote-id: edn1" href="http://hanskreijns.blogspot.com/2009/03/spot-condescension-reu-which-i-think.html#a10"&gt;[10]&lt;/a&gt; Na aankomst in de Ostia Rheni zet hij zijn reis per schip voort naar Traiectum, om daar bisschop Albricus te bezoeken. Vanuit Traiectum gaat de reis weer per schip verder, nu met bestemming Keulen. “Maar”, waarschuwt Alcuinus, “mijd Dorestate, je wordt daar niet gastvrij ontvangen”. In Keulen ontmoet hij bisschop Ricvulvus. Vanaf Keulen vaart hij de Rijn op en vervolgens de Moezel richting Echternach. Daar wordt hij ontvangen door aartsbisschop Beornrad, tevens abt van het door Willibrord gestichte klooster. Na Echternach vervolgt hij zijn reis richting Rome…&lt;br /&gt;Met de aankomstplaats Ostia Rheni, door Alcuinus aan het begin van het gedicht genoemd, kan, indien we Poelmans redenering volgen, de haven van Katwijk niet bedoeld zijn. Bovendien, of er in de achtste eeuw nog schepen over de Oude Rijn konden varen is een grote vraag. Vrijwel al het Rijnwater stroomt via Waal en Lek naar de Maas-Rijn-monding. De Kromme Rijn voert nog een klein deel naar de Vecht, maar de Oude Rijn zal al snel door verzanding, ook voor rivierschepen, niet meer bevaarbaar zijn geweest.&lt;br /&gt;We komen de term “ Ostia Rheni” dan tegen in een vita van Ludger. Ludger had op zijn vaderlijk erfgoed een kerk gebouwd. Volgens een latere vita heette de plaats Werdina en zij was gelegen aan de Ostia Rheni.&lt;a title="" style="mso-endnote-id: edn1" href="http://hanskreijns.blogspot.com/2009/03/spot-condescension-reu-which-i-think.html#a11"&gt;[11]&lt;/a&gt; Hij wilde hier een klooster bouwen, maar van dit plan stapte hij af nadat hem geopenbaard werd dat de Noormannen dit gebied zouden binnendringen en plunderen. Dat Ludger zijn klooster wilde stichten aan het Flevum of het Vlie of aan de monding van de Oude Rijn kunnen we uitsluiten, vermoedelijk had hij een plek uitgekozen ten oosten van de Maas-Rijn monding. Vervolgens  koos Ludger de plaats Withmundi voor zijn kloosterstichting, maar omdat ook die plek niet geschikt bleek, werd het uiteindelijk de plaats Werden aan de Duitse Ruhr. &lt;br /&gt;In de berichten over de Noormannen wordt de Ostia Rheni nog genoemd. De annalen van Fulda vermelden onder het jaar 850 dat de Noorman Roric met een grote vloot voor de kust van Frisia verschijnt, plaatsen van het rijk van Lotharius verwoest, vervolgens door de Ostia Rheni naar Dorestate vaart, dat hij bezet. Lotharius is te zwak om hem te weerstaan en ziet zich gedwongen Roric als vazal aan te nemen.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Conclusie:&lt;br /&gt;Het is niet duidelijk of, wanneer de term “Ostia Rheni” gebruikt wordt, er sprake is van de drie Rijnmonden in het algemeen of van één specifieke plaats. Bij de aanduiding Ostia Rheni als aankomstplaats van zeeschepen kan Katwijk niet bedoeld zijn, er is geen enkele aanwijzing dat Katwijk een zeehaven was. Van de drie Rijnmondingen komt alleen de meest westelijke, de Maas-Rijn-monding in aanmerking. We mogen aannemen, dat wanneer als aankomstplaats de aanduiding Ostia Rheni gebruikt wordt, de Zeeuwse wateren bedoeld zijn.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;hr/&gt;&lt;br /&gt;&lt;span id="a"&gt;[1]&lt;/span&gt; Poelman H.A.: Geschiedenis van den handel van Noord-Nederland gedurende het Merovingische  en Karolingische tijdperk. p.99. ‘s Gravenhage, 1908.  &lt;br /&gt;&lt;span id="a2"&gt;[2]&lt;/span&gt; Weiler A.G.: Willibrords missie. P.94. Hilversum 1989. Of een nederzetting Utrecht wel bestond in 690 komt niet aan de orde.&lt;br /&gt;&lt;span id="a3"&gt;[3]&lt;/span&gt; Halbertsma H.: Frieslands Oudheid. P.72. Utrecht 2000. Halbertsma vraagt zich niet af of Utrecht bestond, en of met zekerheid vaststaat dat Wijk bij Duurstede Dorestate is geweest. De volgorde Traiectum Dorestate komt ook voor in één bericht, namelijk van de St. Bertijnsabdij d.d. 834: De Noormannen gingen via Traiectum naar Dorestate… Alle overige annalen vermelden dit detail niet. Het is zeer de vraag of we deze opmerking serieus moeten nemen.&lt;br /&gt;&lt;span id="a4"&gt;[4]&lt;/span&gt; Rogge M. en Sas K. :Quo vadis ? Het wegennet van de Romeinen. p.28  Zottegem 2006.&lt;br /&gt;&lt;span id="a5"&gt;[5]&lt;/span&gt; Marcellinus: XVIII, 2, 1-4, A.D.359.&lt;br /&gt;&lt;span id="a6"&gt;[6]&lt;/span&gt; Tacitus: Historiën, Boek V. xxiii-xxiv.&lt;br /&gt;&lt;span id="a7"&gt;[7]&lt;/span&gt; Henderikx P.A.: De beneden-delta van Rijn en Maas. p.16, 73. Hilversum 1987.          &lt;br /&gt;&lt;span id="a8"&gt;[8]&lt;/span&gt; Oost A.P., Kleine Punte P.A.H.: Rapport Rijkswaterstaat RIKZ/2004.021. p.18.&lt;br /&gt;&lt;span id="a9"&gt;[9]&lt;/span&gt; Van Rooyen C: Continue discontinuïteit. Jaarboek Oud-Utrecht 1999.&lt;br /&gt;&lt;span id="a10"&gt;[10]&lt;/span&gt; Alcuini Carmina IV, M.G.H. I, p.220-221. Alcuinus richt zich tot de “cartella” waarop hij zijn gedicht schrijft, en  laat de cartella in feite de reis maken.&lt;br /&gt;&lt;span id="a11"&gt;[11]&lt;/span&gt; Fundatio Monasterii Werthinensis, M.G.S. 15, p.165.&lt;div class="blogger-post-footer"&gt;&lt;img width='1' height='1' src='https://blogger.googleusercontent.com/tracker/9044284167901118874-7361034032620432009?l=hanskreijns.blogspot.com' alt='' /&gt;&lt;/div&gt;</content><link rel='replies' type='application/atom+xml' href='http://hanskreijns.blogspot.com/feeds/7361034032620432009/comments/default' title='Reacties plaatsen'/><link rel='replies' type='text/html' href='http://www.blogger.com/comment.g?blogID=9044284167901118874&amp;postID=7361034032620432009' title='0 reacties'/><link rel='edit' type='application/atom+xml' href='http://www.blogger.com/feeds/9044284167901118874/posts/default/7361034032620432009'/><link rel='self' type='application/atom+xml' href='http://www.blogger.com/feeds/9044284167901118874/posts/default/7361034032620432009'/><link rel='alternate' type='text/html' href='http://hanskreijns.blogspot.com/2009/03/spot-condescension-reu-which-i-think.html' title='Katwijk en de Ostia Rheni'/><author><name>Hans Kreijns</name><uri>http://www.blogger.com/profile/06808236206399647005</uri><email>noreply@blogger.com</email><gd:image rel='http://schemas.google.com/g/2005#thumbnail' width='16' height='16' src='http://img2.blogblog.com/img/b16-rounded.gif'/></author><thr:total>0</thr:total></entry><entry><id>tag:blogger.com,1999:blog-9044284167901118874.post-4481712720948280331</id><published>2008-09-16T11:15:00.000-07:00</published><updated>2008-09-22T08:50:02.069-07:00</updated><title type='text'>Caestert-Atvatvca</title><content type='html'>Caestert-Atvatvca&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;In de vroegst bekende oorkonde van Nederland, gedateerd 723. januari 1, komt de naam "castrum Fethna" voor. Deze oorkonde is de eerste van een verzameling oorkonden, die - in afschrift uit de 12e eeuw - bewaard is o.a. in het "Liber Donationem" van het bisdom Utrecht:  &lt;br /&gt;723. januari 1. Karel Martel schenkt aan het klooster dat gebouwd is onder de muren van het castrum Traiectum, waarvan bisschop Willibrord beschermheer is, de baten van de fiscus van dat castrum, tevens de graslanden van Graveningo; evenzo de villa, ofwel castrum, "Fethna" genaamd, gelegen in de pago Nifterlaco met alle aanhorigheden, zowel van de villa Fethnam castro als van het genoemde Traiectum castrum. Akte opgemaakt te Herstal(1).  &lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Zoals reeds opgemerkt is de oorkonde in afschrift bekend uit de 12e eeuw. Er zijn andere afschriften bekend uit de 12e eeuw, waarin in plaats van "Fethna", "Fetna", of "Fithna", staat.  Van "Fethna" wordt vermeld dat het in de pagus "Nifterlaco" ligt.  "Nifterlaco" wordt in een ander handschrift "Insterlaco" genoemd.  Het klooster van Willibrord dat de schenking ontvangt, ligt in of bij het castrum Traiectum. &lt;br /&gt;De oorkonde is opgemaakt te Herstal, 20 km ten zuiden van Traiectum-Maastricht.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Er  van uitgaande dat Maastricht het "Traiectum van Willibrord" was, moeten we in haar omgeving  het castrum Fethna vinden. Is dáár die naam, of een relict van deze naam, aanwijsbaar? In een tijdsbestek van tweeduizend jaar verandert veel, maar het is bekend dat plaatsnamen een taai bestaan kennen. Waar een castrum Fethna te zoeken in de nabije omgeving van het castrum Maastricht? De aanduiding "castrum" geeft misschien de eerste indicatie. Aan de Nederlands-Belgische grens, op een afstand van 4 km ten zuiden van Maastricht, ligt op het plateau van de Sint Pietersberg de hoeve "Caestert". Het zal overbodig zijn te zeggen dat deze naam is afgeleid van "castrum".  In vroeger tijd leidde een oude weg van Maastricht over genoemd plateau langs "Caestert", via Nivelle en Herstal, naar Luik. Het vraagt enige fantasie om het landschap rond dit "Caestert" op het plateau van de Sint Pietersberg, nu volledig geïsoleerd door de afgravingen van de cementindustrie ten noorden, en het Albertkanaal ten zuiden, te zien als het vroegere "castrum Fethna". Toch zal bij nader onderzoek blijken, dat deze plek een zeer rijke historie kende, en naar we mogen veronderstellen de oorsprong vormde van de huidige stad Maastricht.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Caestert-Castra Caesaris&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;De ons bekende geschiedenis van "Caestert" gaat terug tot de eerste eeuw vóór onze jaartelling. De plek had - zeker in die tijd - een ideale strategische ligging. Aan de Maaszijde begrensd door de oostelijke zeer steile helling van de Sint Pietersberg, aan de westzijde door de helling van het Jekerdal. Ter hoogte van "Caestert" is de bergrug, gevormd door Maasdal en Jekerdal, vrij smal, niet meer dan ± 350 meter. Al in de eerste eeuw vóór Christus is een gebied van ± 20 hectare rondom de huidige hoeve "Caestert" aan noord-, west- en zuidzijde (aan de oostzijde bevindt zich de steile Maashelling) omgeven door een wal met gracht. Deze verschansing, gemaakt van hout en aarde, tekent zich nu nog af in het landschap (2)  Dendrochronologisch onderzoek van de palen in de wal geeft de jaren 57 v.Chr. en 31 v.Chr (3).  &lt;br /&gt;Over de vraag of hier sprake is van het lang gezochte "Atuatuca", Caesars winterkamp in het gebied van de Eburonen, of van een later Romeins kamp, zijn de meningen verdeeld (4). In de omgeving stond Caestert  bekend als “Castrum Césare”, zoals De Hurges, die in 1615 een reis maakt van Luik naar Maastricht, ons meedeelt (5). De Hurges is echter van mening dat, aangezien er meerdere Romeinse Caesars waren, het Romeinse kamp op Caestert niet perse dat van Julius Caesar hoeft te zijn.   &lt;br /&gt;Hechten we echter geloof aan wat Matthias Herbenus, kanunnik van Sint Servaas, in 1485 schrijft over de oorsprong van Maastricht, dan zouden we toch moeten concluderen dat er sprake is van Caesars vesting Atuatuca:&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;“Daar het immers de gewoonte is, dat steden een beetje roem voor zich opeisen wanneer ze door beroemde stichters gegrondvest zijn - zoals Constantinopel door Constantijn, Rome door Romulus - zo eist ons Maastricht de roem voor zich op gegrondvest te zijn door Julius Caesar die de stad heeft gesticht. Nadat hij namelijk Gallië en Germanië, na vele en grote gevechten onderworpen had, koos hij Maastricht uit als de meest geschikte plaats voor het overwinteren van zijn troepen. De zeer ervaren veldheer had immers ingezien, dat deze plek zichzelf beschermde en tegelijkertijd in overvloedige mate voedsel verschafte. Want aan de zuidkant heeft zij zonnige allerliefste bergweiden, bijzonder geschikt voor het weiden van lastdieren. Aan de west- en de noordkant strekken zich de zeer vruchtbare velden der landbouwers uit. Aan de oostkant stroomt de Maas, bruikbaar voor de meest verschillende behoeften, waaraan als in een halve cirkel een wal werd toegevoegd die de gehele legerplaats beschermend omringde.”(6)     &lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Hier is sprake van een winterkamp uit Julius Caesars tijd, omgeven door een halfcirkelvormige wal, een kamp dat voor zijn troepen voldoende bescherming bood. Deze beschrijving kan niet verwijzen naar de laag gelegen, onbeschermde, oversteekplaats bij de Maas. Het al in de eerste eeuw vóór Christus door een wal met gracht omgeven Caestert, zeer strategisch gelegen op de heuvelrug tussen Maas en Jeker, komt wel in aanmerking. Dat dit winterkamp de door Caesar beschreven vesting “Atuatuca” is, waar Ambiorix een Romeins legioen en vijf cohorten volledig uitschakelde, wordt vrij algemeen aangenomen. &lt;br /&gt;Atuatuca is, volgens Caesar, de inheemse benaming voor vesting. De Atuatuci, zegt hij (7), stammen af van de Cimbren en Teutonen die, na de Rijn te zijn overgestoken (omstreeks het jaar110 vóór Chr.), 6000 man achterlieten ter bewaking van hun bezittingen. Het leger dat verder trok werd verslagen en keerde niet meer terug. De achtergebleven Atuatuken moesten zich zien staande te houden in de gebieden van de Nerviërs en de Eburonen, stammen die aan de Atuatuken schatplichtig waren. &lt;br /&gt;Volgens de Belgische historicus H. Schuermans waren in Caesars tijd langs het hele Maasdal op hoge, strategisch gelegen plaatsen, de versterkingen van de Atuatuken gevestigd (8). Juist daar waar een zijriviertje in de Maas stroomde. Al deze vestingen heetten "Atuatuca".&lt;br /&gt;Schuermans meent dat het door Caesar genoemde woord "Atuatuca" uit de eigen taal van de Teutonen stamt. Zij moesten de achtergelaten bezittingen van hun volk bewaken en noemden zich in hun eigen taal: ad-veaht-ig, at- wacht-ik. Atuatuca is dus eigenlijk "At vatuca": ofwel "Ad vaga" bij Antonini, of het "At vaca" op de Peutingerkaart. In de zestiende eeuw wordt Atuatuca regelmatig gelezen als At Vatucum. (Zo ook op de kaart van Ortelius: “Belgii Veteris” 1584.) &lt;br /&gt;Bij de Latijnse beschrijving van de stad Maastricht in het “Stedenboek” van Braun en Hogenberg (1581) vinden we een opmerkelijke notitie, waarschijnlijk afkomstig van Goropius Becanus (9). Er wordt verhaald dat de legerplaats “Vatucum”, na de rampzalige gebeurtenissen die daar waren voorgevallen, de Romeinen niet meer beviel; waarop zij het kamp na de dood van Caesar verplaatsten naar een plek aan de Maas genaamd “Caster”; met als gevolg de bouw van de brug en de stichting van de stad bij de oversteekplaats van de Maas, die de naam “Traiectum” kreeg. Goropius Becanus gaat er van uit, kunnen we aannemen, dat met Vatucum “Tongeren” bedoeld is, dat dus Caster een tussenstap zou zijn geweest.       &lt;br /&gt;Vast staat dat op Caestert al in de Romeinse tijd een legerplaats, een castrum, moet zijn geweest. Deze hoog gelegen vesting, zal de oorsprong zijn geweest van de latere stad Maastricht. Niet alleen de Atuatuci, ook de Romeinen hebben voor het plateau gekozen om hun kamp of castrum te vestigen. Die vesting werd mogelijk "Vatuca" genoemd, een naam die de inheemse bevolking bleef gebruiken om deze plaats aan te duiden. In de 1e en 2e  eeuw na Christus, de periode van de "pax Romana" wanneer er rust en veiligheid heerst, vestigen zich steeds meer mensen bij de Maas-oversteekplaats, gelegen aan de voet van de berg. De nederzetting dáár groeit, zodat naast de naam “Vatuca”, die de oude bevolking bleef gebruiken als aanduiding voor de plaats, een tweede naam opkomt, "oversteekplaats", "Traiectum", die door de Galliërs gebruikt werd. De goed te verdedigen vesting op het plateau van de Sint Pietersberg is vooraf gegaan aan de zich later ontwikkelende nederzetting bij de oversteekplaats aan de Maas.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Beknopte geschiedenis van Caestert&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;De Belgische toponymist en historicus Jules Vannérus wijdt een uitgebreid artikel aan "Caestert" (10). Het zou niet zinvol zijn om zijn argumentatie en conclusies hier volledig weer te geven. We zullen ons beperken tot de belangrijkste feiten betreffende de historie van deze nu vrijwel verlaten plek.&lt;br /&gt;Hoofdthema van Vannérus artikel is de verwijzing naar de passage uit de "Notitia Dignitatum" (begin 5e eeuw), waar onder de functionarissen van de provincie "Germania Secunda" genoemd wordt een "praefectus laetorum Lagensium prope Tungros". Vannérus veronderstelt dat de plaats waar deze "laeti" met hun families (naast soldaat waren de "laeti" kolonisten) gevestigd waren, "Caestert" en het omliggende gebied betrof. &lt;br /&gt;Tussen Luik en Maastricht komt de plaatsaanduiding “lay”, in de betekenis van laga of laca veelvuldig voor langs de Maas en Vannérus veronderstelt dat de “laeti Lagensium” hun naam hieraan te danken hebben. Caestert en het plateau van de Sint Pietersberg als versterkt kamp, omringt door woonplaatsen in Maastricht, Lanay, Nivelle, Lixhe, Kanne, Eben en Emael. In grote lijnen het gebied tussen Maas en Jeker van Maastricht tot Haccourt. In dit gebied zijn vele graven uit de Merovingische periode gevonden; in de vitae van Lambertus en Hubertus speelt het een belangrijke rol. Verdere schriftelijke berichten uit die periode bezitten we niet. &lt;br /&gt;In de Karolingische tijd heeft "Caestert" ook een rol gespeeld. Het verdelingsverdrag van Lotharingen, 870, werd zeer waarschijnlijk op "Caestert" gesloten. Lodewijk de Duitser bevond zich in Meerssen en Karel de Kale in Herstal. Beiden gingen elkaar tot halverwege tegemoet om het verdrag te sluiten dat de verdeling van Lotharingen regelde. Zij ontmoetten elkaar op een (voor)gebergte dat boven de Maas uitsteekt, "in procuspide super fluvium Mosam"; waarschijnlijk de burcht "Caestert". Vanaf dit hooggelegen punt is het Maasdal kilometers ver te overzien.&lt;br /&gt;Daarna zijn er geruime tijd geen berichten over "Caestert" bekend, mogelijk dat het castrum verwoest is in de Noormannentijd. Blijkbaar komt "Caestert" later in bezit van de bisschoppen van Luik, getuige het eerstvolgende bericht. Volgens een charter, nog aanwezig in het rijksarchief te Luik, gedateerd 1126, schenkt bisschop Alberon 1, twee bunders grond aan de priester Bovon om er een klooster met kapel te bouwen, gewijd aan Maria Magdalena. De plek waar Bovon zijn klooster zal stichten wordt aangeduid als "de monte qui dicitur Castris".&lt;br /&gt;In 1130 schenkt de priester Bovon klooster en kapel aan de monniken van Neufmoustier "supra fluvium Mosam in lnsula in loco qui apellator ad castra, in prospectu Traiectensis opidi". (Op het Insula boven de rivier de Maas op de plaats die "ad castra" genoemd wordt, in het zicht van de stad Traiectum). De abdij van Neufmoustier blijft in het bezit van "Caestert" tot 1356. Dan geeft zij het bezit in leen aan de heer van Eben-Emael, Bertrand van Liers. Deze bouwt er een burcht, die vrij belangrijk geweest moet zijn; er werden o.a. twee verdragen getekend, in 1376 en 1395, door de bisschoppen van Luik, bekend als de "Vrede van Castert".&lt;br /&gt;De zoon van Bertrand van Liers schenkt vervolgens de burcht met aanhorigheden aan de abdij van St. Jacob te Luik. Voor de monniken, maar ook voor de prins-bisschoppen van Luik, was het een aangename verblijfplaats; voor de prins-bisschoppen een pleisterplaats wanneer zij voor belangrijke gebeurtenissen naar Maastricht togen. Gedurende de periode van de Franse revolutie wordt "Caestert" als kerkelijk goed onteigend en op 12 mei 1798 verkocht aan de weduwe Veugen-Loesbergs te Maastricht. In de 19e eeuw komt het kasteel in handen van verschillende eigenaren. Alfons de Bronckère bouwt in 1888 een nieuw kasteel naast het oude. &lt;br /&gt;In 1936 worden dan kastelen, hoeve en omliggende grond aangekocht door de cementindustrie en aan derden verhuurd. Gedurende de eerste en tweede wereldoorlog waren er zelfs Duitse en Amerikaanse troepen gelegerd. Daarna raakte het hele domein steeds meer in verval en in 1970 tenslotte gingen beide kastelen in vlammen op. Behalve de monumentale, oude boerderij is er op die plek nu niets meer te vinden dat aan de rijke historie van "Caestert" herinnert.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Viltaburg&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Volgens de Engelse schrijver Beda (± 720) werd Traiectum, de zetelplaats van Willibrord, in de oude taal van het volk “Viltaburg” genoemd. “Donavit autem ei Pippin locum cathedrae episcopalis in  castello suo inlustri, quod  antiquo gentium illarum verbo Viltaburg, id est oppidum Viltorum, lingua autem Gallica Traiectum vocatur” (Pippijn gaf hem als plaats voor zijn bisschoppelijke zetel zijn eigen befaamde  castellum, dat in de oude taal van dat volk Viltaburg genoemd wordt, dat is het oppidum Viltorum, in de Gallische taal Traiectum genaamd). &lt;br /&gt;De vraag blijft of de naam en de betekenis die Beda daaraan geeft, “het oppidum van de Vilten”, juist is. Iemand moet hem over die oude naam verteld hebben, hij is zelf nooit op het vasteland geweest.  &lt;br /&gt;Utrecht gaat er uiteraard van uit dat dit een oude naam voor Traiectum-Utrecht moet zijn geweest, maar lokaliseert Viltaburg in Vechten (± 5 km ten zuidoosten van Utrecht), dat door de Romeinen  “Fectione” werd genoemd. Viltaburg is Vechten, en Vechten is ook castrum Fethna. &lt;br /&gt;Er doen zich nogal wat problemen voor wanneer we Viltaburg in of bij Utrecht willen plaatsen. Hoe kon Utrecht (of Vechten) Pippijns befaamde castello zijn? Van Utrecht is omstreeks 700 niets bekend. Dat die plek voor de Franken iets betekende is uitsluitend afgeleid uit de brief die Bonifatius in 753 schreef aan de paus. In die brief wordt de Dagobertkerk van Traiectum vermeld, en men gaat er zonder meer van uit dat die kerk omstreeks 635 in Utrecht stond. Dat is zelfs niet mogelijk, aangezien de Dagobertkerk toen al immuniteit bezat, waarvoor zo vroeg alleen bisschopskerken in aanmerking kwamen. Er is geen enkel bericht bekend dat melding maakt van een castellum Traiectum-Utrecht in die tijd. Van een oppidum, normaal een hoog gelegen vesting, later met de betekenis van stad, kan te Utrecht ook geen sprake zijn. Een oppidum Viltorum is daar dan ook echt niet te verwachten.&lt;br /&gt;De situatie ligt totaal anders in Traiectum-Maastricht. Maastricht is omstreeks 700 de belangrijkste stad in de regio. Luik en Aken moeten nog ontstaan. Dat deze stad, gelegen in het kerngebied van de Pippiniden, het befaamde castello van Pippijn was, is wel te verwachten. Maastricht was sedert de vierde eeuw  bisschopsstad, dus de Dagobertkerk kan alleen in dát Traiectum gezocht worden. &lt;br /&gt;Hoog op de Sint Pietersberg ligt de vesting Caestert, het oppidum Vatucum; aan de voet van de berg bij de Maasovergang, Traiectum.  Dat de naam Viltaburg, het “oppidum Viltorum”, vertaald moet worden als het oppidum van de Vilten is nog maar de vraag. Er is in ieder geval niets bekend over een volk of stam van Vilten in de Romeinse tijd en lang daarna. Eerst door de oorlog die Karel de Grote in 789 voerde met de Welatabi, een Slavisch volk dat door de Franken Wilzi werd genoemd, horen we iets over Wilten of Vilten. Dat Viltaburg aan dit volk zijn naam te danken heeft kunnen we wel uitsluiten.&lt;br /&gt;De volgende hypothese zou een verklaring kunnen geven voor de ontwikkeling van de naam. Mogelijk is het Teutoonse Vatuca door het omringende volk, de Eburonen of de Tungren, Vatucaburg genoemd, dat vervolgens verbasterd is tot Vataburg. Vataburg wordt dan weer het door Beda genoemde Viltaburg. Beda vertaalt deze naam naar het Latijn, oppidum Viltorum. Hieruit zijn later natuurlijk misverstanden ontstaan, omdat wij dat weer vertalen als het oppidum van de Wilten (11).  &lt;br /&gt;De naam Viltaburg moet  juist zijn, want in zijn vita Gregorii noemt Ludger ook Viltaburg als een andere naam voor Traiectum. Hij kan dit bij Beda gelezen hebben, maar daar hij jarenlang in Traiectum gestudeerd heeft, moet hij geweten hebben of die naam inderdaad juist was. In officiële akten van Traiectum wordt Viltaburg gelatiniseerd tot castrum Vilta, of zoals in de oorkonde van 723, tot castrum Fithna.                      &lt;br /&gt;Deze naam kan in oude, natuurlijk Latijnse, geschiedboeken van Maastricht in verschillende variaties voorgekomen zijn, en zou bekend moeten zijn gebleven.&lt;br /&gt;  &lt;br /&gt;Via (regia)&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Natuurlijk moeten we ons afvragen of in Maastricht inderdaad nog iets bekend is van een andere, oudere naam, die gebruikt werd naast de naam Traiectum. Is er iets blijven hangen van de naam Viltaburg die Beda noemt, of van de Latijnse vorm castrum Vilta?   &lt;br /&gt;Het is interessant te lezen wat Herbenus over de oudste naam van Maastricht schrijft:&lt;br /&gt;…“Ik ga dan nu een beschrijving geven van de werken die zich aan de overzijde van de rivier de Maas bevinden, in dat stadsdeel namelijk, dat in de volksmond Wijck genoemd wordt, wat schijnt te zijn ontleend aan de Latijnse benaming “vicus”. Deze interpretatie nu verklaar ik zó, dat  die plek, vóórdat onze stad haar huidige uitgestrektheid gekregen had, misschien een boerendorp is geweest. Het staat immers vast uit oude geschiedboeken, dat onze stad na de komst van de heilige Servatius sterk vergroot en uitgebreid is met mensen, muren en gebouwen. Toendertijd was Wijck dan ook  maar een boerendorp, maar nu is het een stadswijk, die echter haar oude naam heeft behouden, uit welke soortnaam door langdurig gebruik een eigennaam is ontstaan, een feit dat wij dikwijls bij de ouden aantreffen. Zo werd ook onze gehele stad door hen “Via Regia” genoemd, omdat Romeinse vorsten, d.w.z. de keizers en hun afgezanten, over deze weg trokken wanneer zij een reis maakten naar Tongeren, destijds een zeer beroemde metropool van Gallia Transalpina. Maar als zij dan aan de Maas kwamen - waar geen brug was - hadden zij een “trajectio” d.w.z. een veerpont nodig en om deze reden, nl. omdat men de rivier de Maas moest oversteken, heeft men de stad Traiectum genoemd, welke naam Julius Caesar - even beroemd door zijn  welsprekendheid als door zijn moed - in zijn geschriften dikwijls gebruikt….   &lt;br /&gt;&lt;br /&gt;…Wanneer we ons dan mogen beroemen op hoge ouderdom, kunnen we het ervoor houden dat onze stad ongeveer 78 jaar voordat onze Heiland zijn menselijke gedaante aannam, gesticht werd. Indien we ons beroemen op de stichter, dan kunnen we de oorsprong terugvoeren tot Julius Caesar en mogen we geloof hechten aan de naamsafleiding, namelijk dat Maastricht genoemd is naar het overtrekken van de rivier de Maas, en dikwijls Via Regia genoemd werd.”(12)  &lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Afgezien van de vraag of de zienswijze van Herbenus helemaal juist is, lijkt uit zijn verhalen toch iets van de vroegste geschiedenis van Maastricht door te klinken. Hij zal waarschijnlijk nog hebben kunnen  beschikken over “oude geschiedboeken”, die wij nu niet meer kennen. Dat Caesar zijn winterkamp in Maastricht had, d.w.z. op Caestert, is zeer goed mogelijk, dit wordt zelfs door velen verondersteld. In 2008 zullen op Caestert weer opgravingen plaatsvinden, misschien volgen nieuwe gegevens. &lt;br /&gt;Dat naast de naam Traiectum voor Maastricht nog een andere naam “Via” dikwijls genoemd werd, lijkt juist. Is het waar dat Maastricht het Traiectum van Willibrord was, dan moet de stad zeker tot ± 800 n.Chr. door het volk van de streek “Vilta” genoemd zijn. Einhard vermeldt nog in 830: “… het klooster van sint Servatius…, dat gelegen is op de oever van de rivier de Maas, in een handelsplaats die thans Traiectum heet… en zeer veel inwoners telt, voornamelijk kooplui”.(13) Misschien is “Via” een later niet meer begrepen verbastering van Vilta en werd “Via Regia” daarom verklaard als Koninklijke Weg.&lt;br /&gt;Het bovenstaande levert natuurlijk niet het bewijs voor de plaats van Caesars winterkamp “At vatvca”, ook niet van de oudste naam “Vilta” voor Maastricht, maar versterkt wel de vermoedens betreffende de vroegste geschiedenis van Maastricht. &lt;br /&gt;&lt;br /&gt;  1.Muller Bouman: Oorkondenboek van het Sticht Utrecht, nr 35.&lt;br /&gt;  2.H. Roosens: Kanne, oude vesting, Archéologie 1973, p. 97.&lt;br /&gt;                      Kanne, oude versterking, Archéologie 1975, pp. 90-91.&lt;br /&gt;    A.Wankenne: La Belgique au  temps de Rome, p. 30, Presses universitaires de Namur 1979. &lt;br /&gt;    T. Panhuysen: Romeins Maastricht en zijn beelden, p. 30, Maastricht 1996.&lt;br /&gt;  3.E. Holstein: Mitteleuropaïsche Eichenchronologie, pp. 69-70, Mainz 1980.&lt;br /&gt;  4.Zie op internet, wikipedia: Atuatuca-De ligging van Atuatuca.&lt;br /&gt;  5.Philippe de Hurges: Voyage de Philippe de Hurges à Liège et à Maestrecht en 1615.&lt;br /&gt;  6.M. Herbenus: De Trajecto Instaurato, 1485. Vertaling M. van Heyst, Roermond 1985. 7.Caesar: De bello Gallico, II.29.&lt;br /&gt;  8.H Schuermans: Annales de la société archéologique de Namur, deel 21, 1895: les Aduatuques sur la Meuse, p.p. 245-286.&lt;br /&gt;  9.Johannes  Goropius Becanus , geboren te Gorp bij Hilvarenbeek, (1519-1572). Humanist,  medicus en taalgeleerde. Begraven in het Oude Minderbroedersklooster, het huidige Rijksarchief, te Maastricht.&lt;br /&gt; 10.Jules Vannérus: Le limes et les fortifications Gallo-Romaines de Belgique, pp. 228-254. 1942.&lt;br /&gt; 11.Vereniging van Naamkunde, 41e jaargang, 1965: Wiltenburg, de stad der Wilten? p. 47 e.v.  &lt;br /&gt; 12.Waar wij rekenen 54 v.Chr., berekent Herbenus blijkbaar 78 v.Chr. &lt;br /&gt; 13.H. van Ommeren: Bronnen voor de geschiedenis van Maastricht in PSHAL, deel 127, 1991, nr 56. In de gesta van de abdij Fontenelle (± 835) wordt Viltaburg inderdaad als naam van Maastricht genoemd (daar waar zich het Servaasklooster bevindt).  Mon. Germ. II, p.277.&lt;div class="blogger-post-footer"&gt;&lt;img width='1' height='1' src='https://blogger.googleusercontent.com/tracker/9044284167901118874-4481712720948280331?l=hanskreijns.blogspot.com' alt='' /&gt;&lt;/div&gt;</content><link rel='replies' type='application/atom+xml' href='http://hanskreijns.blogspot.com/feeds/4481712720948280331/comments/default' title='Reacties plaatsen'/><link rel='replies' type='text/html' href='http://www.blogger.com/comment.g?blogID=9044284167901118874&amp;postID=4481712720948280331' title='1 reacties'/><link rel='edit' type='application/atom+xml' href='http://www.blogger.com/feeds/9044284167901118874/posts/default/4481712720948280331'/><link rel='self' type='application/atom+xml' href='http://www.blogger.com/feeds/9044284167901118874/posts/default/4481712720948280331'/><link rel='alternate' type='text/html' href='http://hanskreijns.blogspot.com/2008/09/caestert-atvatvca.html' title='Caestert-Atvatvca'/><author><name>Hans Kreijns</name><uri>http://www.blogger.com/profile/06808236206399647005</uri><email>noreply@blogger.com</email><gd:image rel='http://schemas.google.com/g/2005#thumbnail' width='16' height='16' src='http://img2.blogblog.com/img/b16-rounded.gif'/></author><thr:total>1</thr:total></entry><entry><id>tag:blogger.com,1999:blog-9044284167901118874.post-6405493638300700233</id><published>2008-01-06T10:48:00.000-08:00</published><updated>2009-08-04T23:25:42.600-07:00</updated><category scheme='http://www.blogger.com/atom/ns#' term='Peutingerkaart'/><category scheme='http://www.blogger.com/atom/ns#' term='Traiectum'/><title type='text'>Traiectum en de Peutingerkaart</title><content type='html'>Traiectum en de Peutingerkaart  &lt;br /&gt;&lt;br /&gt;In het boekje “Het Traiectum van Antonini en de Peutingerkaart” (2000),  heb ik als hypothese naar voren gebracht, dat de route aangegeven als de “bovenste weg” niet naar het westen (van Nijmegen naar de Hollandse kust), maar naar het zuiden (van Nijmegen naar Keulen) zou hebben gelopen (1). Op deze visie moet ik ten dele terugkomen. Aanleiding hiertoe is het in Vechten opgegraven Romeinse wij-altaar met de tekst “Cives Tungri et nautae qui Fectione consistunt”. Burgers van de civitas Tungrorum en schippers die in Fectione vertoeven. Eerder ging ik er van uit dat Fectione in de civitas Tungrorum gezocht moest worden. &lt;br /&gt;Het Fletione van de Peutingerkaart werd echter al in Vechten gesitueerd, voordat het wij-altaar met de plaatsnaam “Fectione” in 1869 werd opgegraven. Dat juist in Vechten dat al als Fletione beschouwd werd, bij toeval de steen terecht zou zijn gekomen, moeten we uitsluiten. Vechten is dus Fectione, en dit moet het door de “geograaf van Ravenna” genoemde Fictione zijn (blad A). Fletione is een verschrijving van Fectione. De ”Ravennas” maakt blijkbaar gebruik van heel oude gegevens. Zijn opsomming van steden langs de Rijn in Francia Rinensis, loopt dus door tot aan de Hollandse kust, en noemt de belangrijkste plaatsen van de in zijn tijd allang verdwenen Romeinse limes.    &lt;br /&gt;Vergelijken we de namen van de “route van Antonini” met de “route van de Ravennas” vanaf Harenatio tot de kust (blad A), dan valt het volgende op: van de plaatsnamen die Antonini noemt na Harenatio, wordt er niet één door de Ravennas genoemd. Omgekeerd geldt uiteraard hetzelfde. Dit is bijzonder vreemd, indien hier sprake is van één en dezelfde route. De veronderstelling ligt voor de hand dat we te doen hebben met twee verschillende routes, die om een of andere reden in de bovenste weg van de Peutingerkaart zijn samengebracht. &lt;br /&gt;&lt;br /&gt;De bovenste weg, zoals aangegeven op de Peutingerkaart (blad A). Uitgangspunt “Arenatio”. &lt;br /&gt;     Arenatio&lt;br /&gt;10 Noviomagi&lt;br /&gt;  8 Castra Herculis&lt;br /&gt;13 Carvone&lt;br /&gt;  8 Levefano&lt;br /&gt;16 Fletione&lt;br /&gt;12 Lauri&lt;br /&gt;  5 Nigropullo&lt;br /&gt;  2 Albanianis&lt;br /&gt;  5 Matilone&lt;br /&gt;  3 Pretorium Agrippine&lt;br /&gt;  2 Lugduno&lt;br /&gt;Route 1: Antonini. Ten dele in de bovenste weg opgenomen.                &lt;br /&gt;     Harenatio&lt;br /&gt;22 Carvone&lt;br /&gt;22 Mannaricio&lt;br /&gt;15 Traiecto&lt;br /&gt;17 Albanianis&lt;br /&gt;10 Lugduno                                     &lt;br /&gt;Route 2: De “Ravennas”. Volledig in de bovenste weg opgenomen.&lt;br /&gt;     Noita                        (Harenatio)&lt;br /&gt;     Coadulfaverus          (Castra Herculis)&lt;br /&gt;     Evitano                     (Levefano)&lt;br /&gt;     Fictione                    (Fletione)&lt;br /&gt;     Matellionem             (Matilone) &lt;br /&gt;Wegens het in Vechten gevonden wij-altaar staat vast dat de Ravennas een route geeft naar de kust.&lt;br /&gt;De route van Antonini moeten we dus, indien we uitgaan van twee verschillende wegen, ergens anders situeren. &lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;a href="http://bp1.blogger.com/_uFgpU1xc8Sk/R4Ep70t3OKI/AAAAAAAAABE/5rm4jod77UM/s1600-h/Scannen0002.jpg"&gt;&lt;img style="display:block; margin:0px auto 10px; text-align:center;cursor:pointer; cursor:hand;" src="http://bp1.blogger.com/_uFgpU1xc8Sk/R4Ep70t3OKI/AAAAAAAAABE/5rm4jod77UM/s400/Scannen0002.jpg" border="0" alt=""id="BLOGGER_PHOTO_ID_5152445556428585122" /&gt;&lt;/a&gt;&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;De driehoek Nijmegen, Maastricht, Keulen.&lt;br /&gt;De door Antonini genoemde - ook vastgestelde - wegen tussen Maas en Rijn, in de driehoek Nijmegen, Maastricht, Keulen. (Kaart 1) &lt;br /&gt;Antonini: Van Colonia Agrippina naar Harenatio. Totaal 57 leugae.&lt;br /&gt;     Colonia Agrippina&lt;br /&gt;  6 Durnomago&lt;br /&gt;  5 Burungo&lt;br /&gt;  5 Nevensio&lt;br /&gt;  9 Gelduba&lt;br /&gt;  9 Calone&lt;br /&gt;  7 Veteris&lt;br /&gt;  6 Burginatio&lt;br /&gt;10 Harenatio&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Antonini: Van Colonia Traiana naar Colonia Agrippina. Totaal 75 leugae.&lt;br /&gt;     Colonia Traiana&lt;br /&gt;10 Mediolana&lt;br /&gt;10 Sablonibus&lt;br /&gt;10 Mederiacum&lt;br /&gt;  8 Teudurum&lt;br /&gt;  7 Coriovallum&lt;br /&gt;12 Juliaco&lt;br /&gt;  8 Tiberiacum&lt;br /&gt;10 Colonia Agrippina &lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Antonini: Van Bagacum…Aduaga Tungrorum naar Colonia Agrippina.&lt;br /&gt;     Aduaga Tungrorum&lt;br /&gt;16 Coriovallum&lt;br /&gt;12 Juliacum&lt;br /&gt;18 Colonia Agrippina&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Antonini geeft dan nog een route: “Van Lugduno, de kop van Germania, naar Straatsburg”. Men neemt aan - zoals de Peutingerkaart ook lijkt aan te geven - dat deze weg vanaf Katwijk (de kop van Germania), via Harenatio, naar Straatsburg loopt. &lt;br /&gt;                                                                                        Lugdunum                                   &lt;br /&gt;10 Albanianis&lt;br /&gt;17 Traiecto&lt;br /&gt;15 Mannaricio&lt;br /&gt;22 Carvone &lt;br /&gt;22 Harenatio&lt;br /&gt;86 Totaal&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;De bedoeling van dit artikel is aan te tonen dat deze route uit het Itinerarium Antonini ten onrechte in de "bovenste weg" moet zijn ingeslopen. De forten langs dit deel van de limes, van de kust tot Nijmegen, zijn in het midden van de derde eeuw verlaten. We mogen verwachten dat de bovenste weg aan het eind van de derde eeuw niet meer genoemd wordt. De plaatsen aan de onderste weg zijn in het Itinerarium ook niet opgenomen. De grens van het Romeinse Rijk werd aan het eind van de derde eeuw verlegd tot de heirbaan Boulogne-sur-Mer naar Maastricht. Deze weg kon verdedigd worden door middel van forten op de weg, gecombineerd met een diepteverdediging van de streek ten noorden van de weg. Vanaf Maastricht werd, mogen we veronderstellen, de Maas aangehouden als grens tot ter hoogte van Nijmegen, vandaar de Rijn stroomopwaarts tot Keulen en Straatsburg. Keizer Julianus herstelt in het midden van de vierde eeuw verschillende forten langs de Maas, en hij herstelt de volgende plaatsen langs de Rijn: Castra Hercules, Quadriburgium. Tricencima, Novesium, Bonna,&lt;br /&gt;Antennacum en Vingo. Ook de bruggen van Maastricht en Cuyk worden nog vernieuwd in de vierde eeuw.&lt;br /&gt;In mijn visie moet het eerste deel van de route Lugdunum tot Harenatium, gezocht worden in de driehoek Maastricht, Nijmegen, Keulen, en wel van Lugdunum (Limbourg aan de Vesdre) over Albanianis (Aken), Traiectum (Maastricht), verder via Harenatio (de kop van Germania) naar Straatsburg.&lt;br /&gt;De uiterste punt van Germania ligt ter hoogte van Harenatium, en we moeten lezen: "van Lugdunum - via de kop van Germania - naar Straatsburg". (2) Zie kaart A.  &lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Traiecto en Mannaricio worden op de Peutingerkaart niet genoemd. De werkelijke afstand van de Hollandse kust tot Harenatio is ongeveer 70 leugae. De 84 leugae op de Peutingerkaart en de 86 leugae die Antonini opgeeft, zijn dus niet in te passen. Uit bovengenoemde afwijkingen valt ook te concluderen dat de route van Antonini niet thuishoort op de bovenste weg. &lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;a href="http://bp0.blogger.com/_uFgpU1xc8Sk/R4Em2kt3OJI/AAAAAAAAAA8/VT-BI5I4KC4/s1600-h/Scannen0003.jpg"&gt;&lt;img style="display:block; margin:0px auto 10px; text-align:center;cursor:pointer; cursor:hand;" src="http://bp0.blogger.com/_uFgpU1xc8Sk/R4Em2kt3OJI/AAAAAAAAAA8/VT-BI5I4KC4/s400/Scannen0003.jpg" border="0" alt=""id="BLOGGER_PHOTO_ID_5152442167699388562" /&gt;&lt;/a&gt;&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;De kopie uit de dertiende eeuw&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Wij kennen de Peutingerkaart slechts als een kopie uit de dertiende eeuw van een Romeinse reiskaart. Hoe de toestand van de voorganger van deze kaart was, is onbekend. Van de huidige kopie is segment 1 verloren gegaan, segment 2 dat ons land omvat, is gehavend. De voorganger van de huidige kopie was er misschien nog slechter aan toe. Dat kan er mede de oorzaak van zijn geweest dat bij kopiëren aanvulling, correctie of reconstructie werd toegepast. &lt;br /&gt;Gedachten en eventuele “correcties” uit een ver verleden nu te verklaren is nauwelijks mogelijk. Dat de ontwikkeling tot in detail verlopen is zoals hierna aangegeven, blijft een vraag. Getracht is een aanvaardbare ontwikkeling te schetsen, zoals die misschien in de loop van de tijd heeft plaatsgevonden. (Blad B): &lt;br /&gt;&lt;br /&gt;B1.  De m.i. oorspronkelijke “bovenste weg” op de Peutingerkaart: &lt;br /&gt;Harenatio 10 Noviomagus 8 Castra Herculis 21 Levefano 16 Fletione 12 Lauri 5 Nigopullo 7 Matilone. &lt;br /&gt;&lt;br /&gt;B2.  Wijziging tussen 400 en 1000:&lt;br /&gt;Mogelijk is in de tweede helft van het eerste millennium een kopie gemaakt van de Peutinger-kaart. Bij die gelegenheid kan Pretoria Agrippina door misverstand aan het einde van de route zijn toegevoegd. Pretorium Agrippine moet, gezien de naam en het vignet de belangrijkste plaats op de route geweest zijn (3). Echter, noch Ptolemaeus, noch Antonini, noch de Ravennas noemt de plaats. Pretorium Agrippine ligt volgens de Peutingerkaart ongeveer 70 leugae van Noviomagus-Nijmegen, Colonia Agrippina eveneens. De een ten westen, de ander ten zuiden. Colonia Agrippina, Keulen, was de hoofdstad, het bestuurscentrum, van Germania Secunda. Qua naam en vignet zou Pretorium Agrippine nog belangrijker moeten zijn. Het lijkt mij voor de hand liggend dat bij een tussenliggende kopie van de Peutingerkaart in het eerste millennium, om welke reden dan ook Pretorium Agrippine, dat eveneens Keulen was, op de "bovenste weg" terecht is gekomen. &lt;br /&gt;De afstand van Harenatium (Rindern) tot Matilone (Leiden), 70 leugae, is realistisch. Ook de afstanden tussen de plaatsen onderling is nu aanvaardbaar. Kleine afstanden van 2 of 3 leugae komen niet meer voor. Zeer waarschijnlijk waren in de originele uitgave van de Peutingerkaart de plaatsen Harenatium en Castra Herculis door een verbindingsstreepje verbonden, waarbij de afstand 9 leuga moet hebben bedragen(4). &lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;a href="http://1.bp.blogspot.com/_uFgpU1xc8Sk/Sa6xdPfwPVI/AAAAAAAAADY/VK_iWY4tmdI/s1600-h/Schema+ontw.+pk.jpg"&gt;&lt;img style="display:block; margin:0px auto 10px; text-align:center;cursor:pointer; cursor:hand;width: 400px; height: 284px;" src="http://1.bp.blogspot.com/_uFgpU1xc8Sk/Sa6xdPfwPVI/AAAAAAAAADY/VK_iWY4tmdI/s400/Schema+ontw.+pk.jpg" border="0" alt=""id="BLOGGER_PHOTO_ID_5309376126650432850" /&gt;&lt;/a&gt;&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;B3.  Wijziging dertiende eeuw. De huidige Peutingerkaart: &lt;br /&gt;Antonini’s route van Lugdunum via Traiectum en Carvone naar Harenatio is in de "bovenste weg" van de Peutingerkaart opgenomen. Kennis van de gegevens van Ptolemeus (de havenstad Lugodeinum) en van Antonini’s Itinerarium kan hiertoe geleid hebben. &lt;br /&gt;Harenatio 10 Noviomagus 8 Castra Herculis 13 Carvone 8 Levefano 16 Fletione 12 Lauri &lt;br /&gt;5 Nigropullo 2 Albinianis 5 Matilone 3 Pretorium Agrippina 2 Lugdunum.                  &lt;br /&gt;Harenatio-Lugdunum totaal 84 leugae.&lt;br /&gt;Harenatio 31 Carvone 43 Albanianis 10 Lugdunum. &lt;br /&gt;Volgens Antonini: Harenatio 22 Carvone 22 Mannaricium 15 Traiectum 17 Albanianis 10 Lugdunum. Totaal volgens opgave Antonini 86 leugae.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;De route van Antonini, van Harenatio naar het zuiden  &lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Voor de veronderstelling dat er sprake is van een tweede weg, en dat deze weg van Harenatio naar het zuiden liep, zijn meerdere argumenten aan te voeren.&lt;br /&gt;1. Zoals hierboven reeds opgemerkt is geen enkele plaatsnaam van Antonini’s route in de route van de Ravennas terug te vinden.&lt;br /&gt;2. De totale afstand van Harenatio tot Lugduno zoals aangegeven op de Peutingerkaart is 84 leugae. De werkelijke afstand van Harenatio (Rindern) tot de kust is 65 leugae. Bovendien, bij de huidige opgave van de bovenste weg worden wel erg veel plaatsen genoemd, soms op een afstand van 2 of 3 leugae. Deze merkwaardige nauwkeurigheid op een weg in de periferie van het Romeinse Rijk is niet te verwachten. &lt;br /&gt;3. Als argument tegen een splitsing in twee wegen zou aangevoerd kunnen worden dat Ptolemeus “Lugodeinum” noemt als havenplaats van de Bataven. We zouden dus Lugdunum (Lugodeinum) moeilijk anders kunnen zien dan als de haven bij Katwijk. De haven van de Bataven is echter eerder te verwachten aan de Waal, westelijk van Nijmegen. Uit de historiën van Tacitus weten we dat Romeinse bevoorradingschepen vanuit Gallië over de Zeeuwse wateren naar Rijn en Maas voeren. Ook in later tijd was er scheepvaart vanuit Frankrijk en Engeland via deze route. De vele Nehallennia-altaren, opgevist bij Colijnsplaat, vormen hiervoor het bewijs. Ad Duodecimum zou als haven van de Bataven in aanmerking komen. L(D)ugodeinum is mogelijk een verbastering van Duodecimum. Zo dit het geval is, is Lugdunum een andere plaats dan Lugodeinum en hoeft zij dus geen havenplaats te zijn.      &lt;br /&gt;4. Pretorium Agrippine, volgens het erbij geplaatste vignet een belangrijke stad, vormt een raadsel. Een dergelijke stad is archeologisch aan de kust nooit aangetoond. Waarschijnlijk is Pretorium Agrippine identiek aan Colonia Agrippina , maar door verkeerde interpretatie ooit in de "bovenste weg" opgenomen. Wanneer bijvoorbeeld in Constantinopel of Ravenna in de tweede helft van het eerste millennium een kopie van de Peutinger-kaart werd gemaakt is iets dergelijks niet ondenkbaar. &lt;br /&gt;5. Men heeft zich er steeds over verbaasd dat geen enkel Romeins geschrift de plaatsen Maastricht en Aken noemt. Terwijl Maastricht met zijn brug over de Maas en Aken met zijn thermen toch vrij belangrijke Romeinse plaatsen moeten zijn geweest. Beide worden in de hier voorgestelde interpretatie van Antonini’s route genoemd.&lt;br /&gt;6. De afstand van Harenatio naar Traiectum-Utrecht is (zonder de omweg via Nijmegen) volgens de Peutingerkaart 9+13+8+16+2=48 leugae. Dit is 105 km. In werkelijkheid is die afstand 8 leugae korter. Om die reden veronderstelt men dat de afstand van 16 leugae tussen Fectione en Levefano een verschrijving is en dat daar 8 leugae zou moeten staan. De afstand Harenatio Utrecht is dan 40 leugae = 90 km. &lt;br /&gt;Volgens Antonini is de afstand van Harenatio naar Traiecto 59 leugae. Dit is 130 km, te groot dus als afstand van Harenatio tot Traiectum-Utrecht. De afstand van Harenatio tot Traiectum-Maastricht is inderdaad 59 leugae, ofwel 130 km. &lt;br /&gt;Gaan we er van uit dat, gezien bovengenoemde argumenten, Pretorium Agrippine en de door Antonini genoemde plaatsen Carvone, Albanianis en Lugduno niet op de bovenste weg van de Peutingerkaart thuishoren, dan zal de oorspronkelijke weg er als volgt hebben uit gezien (kaart A):&lt;br /&gt;     Harenatio                       (Rindern)&lt;br /&gt;10 Noviomagus                  (Nijmegen) &lt;br /&gt;  8 Castra Herculis              (Herwen)&lt;br /&gt;21 Levefano                       (Kesteren)&lt;br /&gt;16 Fletione                         (Vechten)&lt;br /&gt;12 Lauri                              (Woerden)&lt;br /&gt;  5 Nigropullo                     (Zwammerdam)&lt;br /&gt;  7 Matilone                        (Leiden) &lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;a href="http://2.bp.blogspot.com/_uFgpU1xc8Sk/Sa0tq2qrgkI/AAAAAAAAADQ/gzrjMeYVWHs/s1600-h/Scannen0012.jpg"&gt;&lt;img style="display:block; margin:0px auto 10px; text-align:center;cursor:pointer; cursor:hand;width: 291px; height: 400px;" src="http://2.bp.blogspot.com/_uFgpU1xc8Sk/Sa0tq2qrgkI/AAAAAAAAADQ/gzrjMeYVWHs/s400/Scannen0012.jpg" border="0" alt=""id="BLOGGER_PHOTO_ID_5308949749991965250" /&gt;&lt;/a&gt;&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Conclusie: Het geheel van bovengenoemde overwegingen leidt tot de volgende hypothese: &lt;br /&gt;De door Antonini opgegeven route van Lugdunum tot Harenatio moet niet gesitueerd worden vanaf de Hollandse kust tot Harenatio (Rindern); maar vanaf het zuiden - over Aken en Maastricht - tot Harenatio. (Een en ander zoals afgebeeld op kaart A).  &lt;br /&gt;Het “Traiectum van Antonini” is dan Maastricht.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;a href="http://3.bp.blogspot.com/_uFgpU1xc8Sk/SaxK_xjVGKI/AAAAAAAAACo/RPrTm-7JJi0/s1600-h/Scannen0002.jpg"&gt;&lt;img style="display:block; margin:0px auto 10px; text-align:center;cursor:pointer; cursor:hand;width: 400px; height: 291px;" src="http://3.bp.blogspot.com/_uFgpU1xc8Sk/SaxK_xjVGKI/AAAAAAAAACo/RPrTm-7JJi0/s400/Scannen0002.jpg" border="0" alt=""id="BLOGGER_PHOTO_ID_5308700520256706722" /&gt;&lt;/a&gt;&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;1. Kreijns J.P.M. "Het Traiectum van Antonini en de Peutingerkaart", Uitgeverij Gadet 2000.&lt;br /&gt;Mijn artikel in het tweede SEM-boek: "De Peutingerkaart en de Lage Landen", Breda 2007, p.99, is doordat een kaartje is weggelaten, enigzins verward geworden.&lt;br /&gt;2. Het is overigens niet helemaal uitgesloten dat mijn eerdere veronderstelling dat Lugdunum de huidige plaats Landenne aan de Maas in België was en Albanianis de huidige plaats Amay.&lt;br /&gt;3. Heijden van der P. "Romeinse raadsels" in Westerheem no 4. aug. 2006.&lt;br /&gt;4. Veen van R. "Archeo-logica bij Tolkamer" in SEMafoor 10.1, 2009, p.23.&lt;div class="blogger-post-footer"&gt;&lt;img width='1' height='1' src='https://blogger.googleusercontent.com/tracker/9044284167901118874-6405493638300700233?l=hanskreijns.blogspot.com' alt='' /&gt;&lt;/div&gt;</content><link rel='replies' type='application/atom+xml' href='http://hanskreijns.blogspot.com/feeds/6405493638300700233/comments/default' title='Reacties plaatsen'/><link rel='replies' type='text/html' href='http://www.blogger.com/comment.g?blogID=9044284167901118874&amp;postID=6405493638300700233' title='1 reacties'/><link rel='edit' type='application/atom+xml' href='http://www.blogger.com/feeds/9044284167901118874/posts/default/6405493638300700233'/><link rel='self' type='application/atom+xml' href='http://www.blogger.com/feeds/9044284167901118874/posts/default/6405493638300700233'/><link rel='alternate' type='text/html' href='http://hanskreijns.blogspot.com/2008/01/traiectum-en-de-peutingerkaart.html' title='Traiectum en de Peutingerkaart'/><author><name>Hans Kreijns</name><uri>http://www.blogger.com/profile/06808236206399647005</uri><email>noreply@blogger.com</email><gd:image rel='http://schemas.google.com/g/2005#thumbnail' width='16' height='16' src='http://img2.blogblog.com/img/b16-rounded.gif'/></author><media:thumbnail xmlns:media='http://search.yahoo.com/mrss/' url='http://bp1.blogger.com/_uFgpU1xc8Sk/R4Ep70t3OKI/AAAAAAAAABE/5rm4jod77UM/s72-c/Scannen0002.jpg' height='72' width='72'/><thr:total>1</thr:total></entry><entry><id>tag:blogger.com,1999:blog-9044284167901118874.post-6402672442422660706</id><published>2008-01-02T11:57:00.000-08:00</published><updated>2008-01-06T11:59:16.354-08:00</updated><category scheme='http://www.blogger.com/atom/ns#' term='Willibrord'/><title type='text'>Willibrord aan Maas en Rijn</title><content type='html'>&lt;div&gt;Willibrord aan Maas en Rijn&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Plaatsen en data bekend uit schenkingsoorkonden vormen een afspiegeling van Willibrords missioneringsactiviteiten. In zijn vitae is sprake van prediking in Vlaanderen, Luxemburg, Thüringen, zelfs Denemarken. In 696 wordt hij door de paus tot aartsbisschop van de Friezen gewijd. Kunnen de schenkingsoorkonden ons een duidelijker beeld verschaffen van zijn arbeidsterrein? Op bijgevoegd kaartje zijn plaatsnamen en data van uitgifte van een groot aantal schenkingsoorkonden in beeld gebracht.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;a href="http://bp1.blogger.com/_uFgpU1xc8Sk/R4Eyj0t3ONI/AAAAAAAAABc/L1Z3cGvawFY/s1600-h/Scannen0001.jpg"&gt;&lt;img style="display:block; margin:0px auto 10px; text-align:center;cursor:pointer; cursor:hand;" src="http://bp1.blogger.com/_uFgpU1xc8Sk/R4Eyj0t3ONI/AAAAAAAAABc/L1Z3cGvawFY/s400/Scannen0001.jpg" border="0" alt=""id="BLOGGER_PHOTO_ID_5152455039716374738" /&gt;&lt;/a&gt;&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Willibrords eerste arbeidsterrein ligt in Vlaanderen. Van Rauching en zijn vrouw Bebelina ontvangt Willibrord goederen in Antwerpen en omgeving. Nog vóór 700 volgen schenkingen voor de stichting van Willibrords klooster te Echternach, zijn meest zuidelijke steunpunt. Dit klooster en haar bezit breidt zich gedurende de volgende decennia verder uit. In 704 ontvangt Willibrord van de Thüringer hertog Heden een belangrijke schenking. Welke plannen de hertog ook gehad moge hebben, het is bekend dat het niet tot missionering in Thüringen is gekomen.&lt;br /&gt;Op bovengenoemde schenkingen zullen we hier niet dieper ingaan, maar ons beperken tot de schenkingsoorkonden die met Traiectum en de kerstening van Frisia in verband staan.&lt;br /&gt;In 696 geeft Pepijn van Herstal zijn befaamde burcht Traiectum aan aartsbisschop Willibrord als zetelplaats, om van daaruit de kerstening ter hand te nemen. In 704 ontvangt hij de eerste van een reeks schenkingen in het gebied van Taxandrië. Taxandrië (de Kempen), bestaat uit het noorden van Belgisch Limburg, en een deel van Nederlands Brabant. Te Bittinum (Obbicht aan de Maas&lt;a title="" style="mso-endnote-id: edn1" href="http://www.blogger.com/post-create.g?blogID=9044284167901118874#_edn1" name="_ednref1"&gt;[1]&lt;/a&gt;) ontvangt Willibrord in 704 van Aingilbaldus goederen te Waderlo (Waalre), met de daar wonende lijfeigenen. Als getuigen treden op Onsbaldus, Eburumus, Edilhardus, Roberte, Tolbaldus, Etrele, Eutlinde en Berthlinde. Verschillende van deze namen komen we in schenkingen van de volgende jaren weer tegen. Al deze getuigen behoren tot de elite van de streek, Frankische grootgrondbezitters, die Willibrord steunen bij zijn bekeringswerk.&lt;br /&gt;Bertilindis (Berthlinde) schenkt in 710 goederen in Hoccascaute en Heopardum. Ansbaldus (Onsbaldus), broer van Bertilindis, schenkt Haeslaos en Diesne in 712.&lt;br /&gt;Naast het klooster van Odiliënberg, dat reeds omstreeks 700 door Pepijn gesticht werd, sticht Willibrord in 714 het klooster van Susteren, waarvan hij ook abt wordt.&lt;br /&gt;Grond en gebouwen te Suestra werden aan Willibrord geschonken op 2 maart 714 door Pepijn en Plectrudis, Pepijns echtgenote. De oorkonde werd opgemaakt te Bagaloso (Bakel). De grond was eerder door Pepijn gekocht van Alberik, een neef van Plectrudis. De zoon van Alberik, Gregorius, wordt na Willibrords dood diens opvolger als bestuurder van het bisdom en Alberiks kleinzoon is de latere bisschop Albricus van Traiectum. Het is duidelijk dat hier sprake is van een Maaslandse aangelegenheid.&lt;br /&gt;De vraag hoe het mogelijk is dat Willibrord kloosters en kerken sticht in een gebied, waarvan men aanneemt dat het tot het bisdom Traiectum van Lambertus behoorde, vraagt om een verklaring. Volgens kerkelijk recht, ook in die tijd, was dit beslist niet toegestaan. We hebben eerder betoogd dat naar onze mening Pepijn het oude bisdom Traiectum gesplitst moet hebben in een zuidelijk deel met als zetelplaats Luik, en een noordelijk deel met Traiectum-Maastricht als zetel. Dit verklaart het vertrek van Lambertus van Maastricht naar Luik.&lt;br /&gt;Dit verklaart ook waarom in de herderlijke brief, die de Luikse bisschop Gerbaldus in 804 tot al zijn diocesanen richt, de Maasgouw en Taxandrië niet worden vermeld. Deze gebieden behoorden niet meer tot het bisdom Luik.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Bekijken we op het kaartje aan de hand van de schenkingsdata de activiteiten van Willibrord, dan blijken deze te verlopen van zuid naar noord, van Maastricht tot het gebied rond Nijmegen. Een normaal verloop wanneer we Traiectum-Maastricht als zetelplaats van Willibrord zien. Bij kerstening vanuit Utrecht zou dit verloop wel zéér onwaarschijnlijk zijn. Eerst na 719 zien we schenkingen aan de Rijn. In 721 doet graaf Ebroïn een aanzienlijke schenking van goederen en horigen in de Duffelgouw, het gebied rond Kleef. Dan zien we voor het eerst activiteiten in het gebied dat ik als Frisia beschouw. De schenking van Elst dateert uit 726.&lt;br /&gt;Schenkingen uit de omgeving van Utrecht zijn niet bekend, ook niet uit het huidige Friesland en Groningen. De bisschop van Utrecht en de abt van Echternach claimen in 1063 - ieder voor de helft - een aantal Hollandse kerken, omdat Willibrord ze gesticht zou hebben. Deze kerken en kapellen worden in 1063 voor het eerst genoemd in een Utrechtse oorkonde. Er zijn noch schenkingsakten, noch vroege berichten over die kerken bekend. Kennelijk is deze claim in 1063 beraamd vanwege het conflict van bisschop Willem van Utrecht met de graaf van Holland. De mogelijkheid dat Willibrord of één van zijn discipelen in Zuid- en Noord-Holland kerken gesticht zou hebben is vrijwel uitgesloten, daar het gebied zich pas vanaf de negende eeuw begint te ontwikkelen.&lt;br /&gt;De tekst betreffende de schenking door Karel (Martel) van de kerk in de "villa Felison in de pagus Kinnehim" is de enige tekst uit Willibrords tijd, waarin van een Hollandse kerk sprake zou kunnen zijn.&lt;a title="" style="mso-endnote-id: edn2" href="http://www.blogger.com/post-create.g?blogID=9044284167901118874#_edn2" name="_ednref2"&gt;[2]&lt;/a&gt; Er is echter geen argument aan te voeren om Felison gelijk te stellen met het in de oorkonde van 1063 genoemde Velsereburc.&lt;br /&gt;Ten slotte blijft nog te bespreken de eerste oorkonde uit het cartularium van Radboud: de schenking door Karel Martel aan het klooster van Willibrord te Traiectum. Aan dit klooster, dat gebouwd is onder de muren van het castrum Traiectum, schenkt Karel Martel zowel de baten van de fiscus van de villa Fethnam castro als van het genoemde castrum Traiectum. De akte is opgemaakt te Herstal d.d. jan.1, 723.&lt;br /&gt;Als getuigen ondertekenen: “Carlomanni, Gariaonis, Odonis, Baldrici, Abbonis, Engilbaldi, Adalhardi, Thiedoldi zijn neef (nepotis ipsius), Bosonis, Widonis, Grimfridi, Ruotbertus, Hariradus. Audoinus priester (presbiter), Chelmoinus, Chaldo kanselier van Karel (Martel)”.&lt;br /&gt;Herstal ligt ± 20 km van Maastricht. Moeten we ons niet afvragen waarom in de oorkonde slechts Traiectum (sec) genoemd wordt? Zo Utrecht bedoeld werd zou er allicht verwarring hebben kunnen ontstaan. Een nadere aanduiding bij Traiectum was m.i. niet nodig, omdat hier sprake is van Traiectum-Maastricht. Traiectum-Utrecht bestond nog niet.&lt;br /&gt;Meerdere getuigen herkennen we als leden van de adel uit de streek, weldoeners van Willibrord bij andere schenkingen.&lt;br /&gt;Adalhardus is de stichter van het klooster Eike (Aldeneik) in 730. Willibrord wijdt Harlindis, Adalhardus dochter, als eerste abdis van dit klooster. Thiedoldus, neef van Adalhardus, is waarschijnlijk de Thietbaldus die aan Willibrord de kerk "in villa Mulnaim que Araride vocatur" schenkt.&lt;a title="" style="mso-endnote-id: edn3" href="http://www.blogger.com/post-create.g?blogID=9044284167901118874#_edn3" name="_ednref3"&gt;[3]&lt;/a&gt;&lt;br /&gt;Ook deze oorkonde van 723 is een Maaslandse aangelegenheid. Naar mijn mening is dit een schenking aan het klooster van Servatius, gebouwd onder de muren van het castrum Traiectum-Maastricht. Dit klooster is bekend sedert Willibrords tijd, waarschijnlijk ook door hem gesticht.&lt;br /&gt;Eén van haar eerste bewoners (sedert 719) is de priester Wandonis, die in 747 naar zijn abdij Fontenelle terugkeert vanuit Viltaburg - zoals Maastricht genoemd wordt in de annalen van Fontenelle - na 28 jaar in het klooster van Servatius als banneling te hebben verbleven.&lt;a title="" style="mso-endnote-id: edn4" href="http://www.blogger.com/post-create.g?blogID=9044284167901118874#_edn4" name="_ednref4"&gt;[4]&lt;/a&gt;&lt;br /&gt;Aan de hand van de schenkingsoorkonden zijn de activiteiten van Willibrord duidelijk te volgen. Uitgaande van de zetelplaats Maastricht lag Willibrords arbeidsterrein links van de Maas in Taxandrië, rechts van de Maas in het huidige Nederlands-Duitse grensgebied. Eerst omstreeks 720 predikt hij aan de Rijn, in Frisia. In het zuiden wordt zijn missiegebied begrensd door Hasbanië, dat tot het nieuwe bisdom Luik behoorde, in het oosten grensde het aan het bisdom Keulen.&lt;br /&gt;&lt;a title="" style="mso-endnote-id: edn1" href="http://www.blogger.com/post-create.g?blogID=9044284167901118874#_ednref1" name="_edn1"&gt;[1]&lt;/a&gt; H. van de Weert: De H.Willibrordus in Limburg, Hasselt 1939.&lt;br /&gt;&lt;a title="" style="mso-endnote-id: edn2" href="http://www.blogger.com/post-create.g?blogID=9044284167901118874#_ednref2" name="_edn2"&gt;[2]&lt;/a&gt; Adrichaim, genoemd in de vita Willibrordi van abt Theofried wordt met de tekst van Felison gecombineerd.&lt;br /&gt;&lt;a title="" style="mso-endnote-id: edn3" href="http://www.blogger.com/post-create.g?blogID=9044284167901118874#_ednref3" name="_edn3"&gt;[3]&lt;/a&gt; Maandschrift "Limburg", XXVIII, 1948-1949, Maaseik.&lt;br /&gt;&lt;a title="" style="mso-endnote-id: edn4" href="http://www.blogger.com/post-create.g?blogID=9044284167901118874#_ednref4" name="_edn4"&gt;[4]&lt;/a&gt; Mon. Germ. II, p. 277.Willibrord aan Maas en Rijn&lt;/div&gt;&lt;div class="blogger-post-footer"&gt;&lt;img width='1' height='1' src='https://blogger.googleusercontent.com/tracker/9044284167901118874-6402672442422660706?l=hanskreijns.blogspot.com' alt='' /&gt;&lt;/div&gt;</content><link rel='replies' type='application/atom+xml' href='http://hanskreijns.blogspot.com/feeds/6402672442422660706/comments/default' title='Reacties plaatsen'/><link rel='replies' type='text/html' href='http://www.blogger.com/comment.g?blogID=9044284167901118874&amp;postID=6402672442422660706' title='0 reacties'/><link rel='edit' type='application/atom+xml' href='http://www.blogger.com/feeds/9044284167901118874/posts/default/6402672442422660706'/><link rel='self' type='application/atom+xml' href='http://www.blogger.com/feeds/9044284167901118874/posts/default/6402672442422660706'/><link rel='alternate' type='text/html' href='http://hanskreijns.blogspot.com/2008/01/willibrord-aan-maas-en-rijn.html' title='Willibrord aan Maas en Rijn'/><author><name>Hans Kreijns</name><uri>http://www.blogger.com/profile/06808236206399647005</uri><email>noreply@blogger.com</email><gd:image rel='http://schemas.google.com/g/2005#thumbnail' width='16' height='16' src='http://img2.blogblog.com/img/b16-rounded.gif'/></author><media:thumbnail xmlns:media='http://search.yahoo.com/mrss/' url='http://bp1.blogger.com/_uFgpU1xc8Sk/R4Eyj0t3ONI/AAAAAAAAABc/L1Z3cGvawFY/s72-c/Scannen0001.jpg' height='72' width='72'/><thr:total>0</thr:total></entry><entry><id>tag:blogger.com,1999:blog-9044284167901118874.post-7614861571645962007</id><published>2008-01-01T08:36:00.000-08:00</published><updated>2008-01-02T12:19:46.340-08:00</updated><title type='text'>De kerstening van Nederland</title><content type='html'>De kerstening van Nederland&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;De kerstening van Nederland door Willibrord en zijn opvolgers vanaf Maastricht naar het noorden bevestigt de stelling, dat Maastricht de zetelplaats van Willibrords missiebisdom moet zijn geweest.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Willibrord: Na de eerste jaren in Antwerpen en omgeving te hebben gewerkt wordt Willibrord in 696 door de paus tot aartsbisschop gewijd, met de opdracht de Friezen te bekeren. Het gebied ten noorden van Maastricht, Taxandrië en de streek tussen Maas en Rijn is - hoewel reeds lang onder Frankische heerschappij - nog grotendeels heidens. Het oude bisdom Maastricht was zeer uitgebreid, en ondanks Lambertus prediking in Taxandrië was het Christendom daar en in het Maas-Rijn-gebied nauwelijks doorgedrongen.&lt;br /&gt;Eerst na een twintigtal jaren was het Willibrord mogelijk in Frisia te missioneren. Willibrords activiteiten links en rechts van de Maas zijn aan de hand van de schenkingen te volgen vanaf het uitgangspunt Maastricht. (zie kaart)&lt;br /&gt;Tussen 700 en 720 dringt Willibrord vanuit Maastricht steeds noordelijker door. In 721 doet graaf Ebroïn een aanzienlijke schenking van goederen in het gebied rond Kleve. Uit 726 dateert een schenking te Elst, in de Betuwe gelegen. Schenkingen aan Willibrord in noordelijker gebied zijn niet bekend.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Bonifatius: In 719 krijgt Willibrord hulp van Bonifatius. Deze werkt een aantal jaren in Frisia, hoe lang is uit de verschillende vitae niet vast te stellen. De berichten hieromtrent spreken elkaar tegen. In zijn "vita S. Bonifatii" vertelt Willibald dat Bonifatius ± drie jaar (719-722) samen met Willibrord in Frisia predikt, om vervolgens in Hessen en Thüringen te missionereren. Ludger vermeldt echter in zijn "vita Gregorii" dat Bonifatius gedurende 13 jaar in Frisia werkzaam is geweest. Hoe zijn deze elkaar tegensprekende uitspraken mogelijk te verklaren?&lt;br /&gt;Willibald was, hoewel jonger, een tijdgenoot van Bonifatius en eveneens uit Engeland afkomstig. Omstreeks 780 schreef hij de eerste vita van Bonifatius. Hoewel hij Bonifatius niet persoonlijk gekend heeft, kon hij voor het schrijven van diens vita gegevens verzamelen uit wat anderen - o.a. Bonifatius opvolger bisschop Lullus van Mainz - over het leven van Bonifatius vertelden. Bovendien kon hij gebruik maken van de correspondentie van Bonifatius. Hij moet dus, zeker over de laatste periode van Bonifatius leven, redelijk goed geïnformeerd zijn geweest.&lt;br /&gt;Ludger heeft tijdens zijn studie aan de school van Gregorius in Traiectum Bonifatius nog ontmoet. Gregorius had als leerling Bonifatius vele jaren vergezeld, hij moet dus goed op de hoogte zijn geweest van de eerste periode van Bonifatius missiearbeid. In zijn "vita van Gregorius" vertelt Ludger veel bijzonderheden over het leven van Bonifatius die hij van Gregorius heeft vernomen.&lt;br /&gt;We mogen verwachten dat Gregorius beter op de hoogte was van Bonifatius activiteiten in de eerste periode, Lullus over de tweede periode.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Volgen we Willibalds "vita S.Bonifatii" dan heeft Bonifatius ± drie jaar (719-722) met Willibrord samengewerkt in Frisia, om vervolgens (722-732) in Hessen en Thüringen te prediken. Willibald verhaalt hoe Bonifatius zich na de dood van Radbod in 719 bij Willibrord voegt om te missioneren onder de Friezen. Willibrord vraagt Bonifatius in 721 om zijn opvolger te worden, maar deze slaat dit aanbod af. Hij voert aan dat hij voor de waardigheid van het bisschopsambt te jong is, bovendien heeft de paus hem ook bestemd voor prediking onder andere Germaanse volkeren.&lt;br /&gt;In 722 verlaat Bonifatius Willibrord om zijn werk elders voort te zetten. Als zijn nieuwe werkterrein noemt Willibald de grensgebieden van Saksen om het volk der Hessen te bekeren: "Zo ook bevrijdde hij aan de grenzen der Saksen het volk der Hessen, dat tot dan toe nog gevangen was in de dwaling van het heidendom". In Amanaburg in Hessen sticht Bonifatius een kloostertje. In 722 ontvangt hij van de paus een uitnodiging naar Rome te komen. Daar wordt hij tot bisschop gewijd. Vervolgens keert hij terug naar zijn missiegebieden.&lt;br /&gt;.&lt;br /&gt;In zijn "vita Gregorii" zegt Ludger echter het volgende: "Dertien jaar lang had de door God uitverkoren martelaar Bonifatius in Frisia de geloofsboodschap verkondigd. Gedurende deze tijd had hij in het zuidelijk deel van het Almere in evangelische armoede en bijna geheel alleen op drie plaatsen een heilig leven geleid. Het eerste oord heette Wijrda en ligt op de oever van de Rhenus, hier woonde hij zeven jaren; het tweede Attingahem aan de rivier de Fetha, hier woonde hij drie jaar, en hier kreeg hij de eerste leerling, Gembert genaamd met de bijnaam Gebbo; het derde oord heet Felisa, dichter bij stamverwanten en heidenen gelegen, hier woonde hij eveneens drie jaren. Na deze dertien jaar had hij zich op Gods bevel naar de Hessen en Thüringers in de oostelijke gebieden van de Franken begeven, om deze volkeren voor God te winnen".&lt;a title="" style="mso-endnote-id: edn1" href="http://www.blogger.com/post-create.g?blogID=9044284167901118874#_edn1" name="_ednref1"&gt;[1]&lt;/a&gt;&lt;br /&gt;Dan eerst, dus na die dertien jaren, aldus het vervolg van Ludgers verhaal, ontmoet Bonifatius Gregorius. Gregorius, zegt Ludger enkele regels verder, was toen veertien of vijftien jaar oud. Als Gregorius in 775 sterft is hij 69 jaar oud, dus is hij geboren in 706 en in 722 plusminus vijftien jaar oud. Bonifatius moet hem na zijn afscheid van Willibrord in 722 al ontmoet hebben en niet, zoals uit Ludgers verhaal volgt, omstreeks 732. Op dit punt is Ludgers beschrijving van de gebeurtenissen zeker niet juist.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Om een verklaring te vinden voor de tegenspraak in de berichten van Willibald en Ludger veronderstelt Halbertsma dat we in de tekst van Ludger "maanden" moeten lezen i.p.v. "jaren".&lt;a title="" style="mso-endnote-id: edn2" href="http://www.blogger.com/post-create.g?blogID=9044284167901118874#_edn2" name="_ednref2"&gt;[2]&lt;/a&gt; Dit zou betekenen dat Bonifatius zeven maanden in Wijrda (Woerden volgens de traditionele interpretatie), drie maanden in Attingahem (Nederhorst aan de Utrechtse Vecht), en drie maanden in Felisa (Velsen) zou hebben gewerkt. Een en ander is, te oordelen naar Ludgers tekst, toch wel zeer onwaarschijnlijk. Hoewel niet meer dan een hypothese lijkt de volgende verklaring meer voor de hand liggend:&lt;br /&gt;We mogen aannemen dat Bonifatius de eerste periode van zijn verblijf in Frisia missioneerde vanuit Wijrda. Mogelijk rekent Ludger deze periode van zeven jaar vanaf de eerste reis naar Frisia die Bonifatius ondernam in 715-716. Waar Wijrda aan de Rhenus te plaatsen is, blijft een niet op te lossen vraag. "Wierden" komen overal voor, zeker in het waterrijke Frisia.&lt;br /&gt;Na zijn afscheid van Willibrord in 722 begeeft Bonifatius zich volgens Willibald naar het oosten, naar het grensgebied van Saksen en Hessen. We moeten Attingahem, van waaruit Bonifatius de volgende drie jaar werkzaam is, dan zoeken aan de Overijsselse Vecht en niet aan de Utrechtse Vecht. Tenslotte missioneert Bonifatius dan nog drie jaar (725-728) vanuit Felisa, mogelijk een plaats aan de Lippe, nog dichter bij de heidense Saksen gelegen. Deze gebieden, de Overijsselse Vechtstreek en Westfalen, kan Ludger Frisia noemen, terwijl Willibald het bij Hessen rekent.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Lebuinus: Na Willibrords overlijden wordt Gregorius abt van het door Willibrord gestichte klooster te Traiectum. Door de inspanningen van Willibrord en zijn helpers was intussen een deel van Frisia tot het Christendom bekeerd. Ludger beschrijft de situatie omstreeks 750 als volgt: "De heilige Gregorius verlichtte met zijn geloofsleer de oude stad Traiectum, de beroemde plaats Dorestate, en dat deel van Frisia dat als Christelijk gold, dat wil zeggen tot aan de oostelijke oever van de Lagbeki, waar gedurende de gehele regeringsperiode van koning Pepijn de grens tussen de Christelijke en de heidense Friezen liep".&lt;br /&gt;De Lagbeki - volgens de traditionele visie de Lauwers in Friesland - is m.i. de Oude IJssel, zoals eerder betoogd.&lt;br /&gt;De gebieden ten westen van de IJssel, te weten de Utrechtse Heuvelrug (Westrachië), de Veluwe (Austrachë) en de gebieden rond Nijmegen werden al als Christelijk beschouwd.&lt;br /&gt;Verschillende helpers van Gregorius zijn bekend. Omstreeks 766 voegde de Angelsaks Alubertus zich bij hem. Gregorius was zelf niet tot bisschop gewijd. Hij vroeg Alubertus zich te laten wijden, om hem als wijbisschop bij te staan.&lt;br /&gt;Lebuinus, ook een Angelsaksische monnik, stak in 771 het kanaal over met als doel (ingegeven in een droom) de bekering van de nog heidense volkeren aan de Gelderse IJssel. Gregorius zond hem naar de Veluwe. De Christenen die daar woonden bouwden een kapel in Huilpa, het huidige Wilp. Na enige tijd stak Lebuinus de IJssel over om een kerk te bouwen in Taventria, het huidige Deventer. Van daaruit missioneerde Lebuinus in de gebieden oostelijk van de IJssel. De kerk van Taventria werd door de meer naar het oosten wonende Saksen verwoest. Lebuinus bouwde de kerk weer op en werd er in 775 begraven. Enige tijd na zijn dood werd de kerk voor de tweede maal door de Saksen in brand gestoken en verwoest.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Willehad: Omstreeks 775 stak opnieuw een Angelsaksische monnik, Willehad, het kanaal over met het doel de Friezen en Saksen te bekeren. Ook hij trok eerst naar Austrachië, het gebied waar Bonifatius de marteldood was gestorven. Na er een aantal jaren te hebben gewerkt trok Willehad in oostelijke richting. Hij stak de Lagbeki over, missioneerde enige tijd in Humarcha, en vervolgens in Thriante, het Drentse gebied. Karel de Grote verzocht hem in 779 bij de Saksen, in een gebied bij de Weser dat Wigmodia genoemd werd, te gaan prediken. De opstand van Widukind in 782 dwong hem zijn missiegebied enige jaren te verlaten. In 787 kon hij terugkeren; in hetzelfde jaar werd zijn missiegebied tot bisdom verheven, met Bremen als zetelplaats. Willehad wordt de eerste bisschop van Bremen.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Ludger: Ludger, leerling van de school van Gregorius, was in 776 met Albricus naar Keulen gereisd, waar Albricus tot bisschop van Traiectum werd gewijd en Ludger de priesterwijding ontving. Albricus verzocht Ludger naar Taventria te gaan om de door Lebuinus gebouwde kerk, die voor de tweede maal door de Saksen verwoest was, weer op te bouwen.&lt;br /&gt;Men neemt aan dat Ludger, van Friese adellijke afkomst, in de Utrechtse Vechtstreek geboren is. Te oordelen naar de ligging van familiebezittingen in Overijssel en de connecties met Westfalen ligt het meer voor de hand Ludgers geboortestreek oostelijker te zoeken. Uit de "Vita Liudgeri", geschreven door Altfried in het midden van de negende eeuw is ons over de familie en de afstamming van Ludger veel bekend.&lt;br /&gt;Ludgers grootvader heet Wurssing. Deze Wurssing is een Fries edelman, maar na onenigheid met de Friese dux Radboud moet hij vluchten naar Frankisch gebied. Wurssings zoon Thiadgrim, vader van Ludger, keert op verzoek van Radboud na enige tijd terug naar Frisia. Radboud laat hem bij zich wonen en geeft hem het vaderlijk erfgoed. Na Radbouds dood in 719 herstelt Karel Martel (aldus Altfried) Wurssing in het bezit van zijn erfgoederen. Bovendien ontvangt hij van Karel Martel een leen in het grensgebied van Frisia. Wurssing wordt helper van Willibrord en gaat wonen in een plaats die "Suabsna" heet en in de nabijheid van Traiectum ligt.&lt;br /&gt;Daar Wurssing nu naar Frisia kan terugkeren wordt aangenomen dat Suabsna in Frisia moet&lt;br /&gt;liggen, en dat met "Traiectum" Utrecht bedoeld moet zijn. Afgezien van de vraag of Altfried de volgorde der gebeurtenissen juist weergeeft - hij schrijft 150 jaar na datum - rijst de vraag waarom Karel Martel na Radbouds dood Wurssing een leen geeft in het grensgebied van Frisia. Mogelijk, opdat Wurssing als helper van Willibrord van daaruit kon opereren in Frisia. Het is denkbaar dat Suabsna (Sualisna en Suahsna in andere afschriften) het klooster Suastra (Susteren) van Willibrord betrof.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Jaren na deze gebeurtenissen, omstreeks 742, wordt Ludger geboren in Frisia, in een plaats die "Suecsnon" heet. Ludger moet, wordt verondersteld, in de Utrechtse Vechtstreek geboren zijn. In de goederenlijst van de Martinuskerk van Utrecht, begin tiende eeuw, wordt een "Suegon" en een "Suegsna" genoemd. Ludgers geboorteplaats "Suecsnon" wordt echter begin tiende eeuw als bezit van het klooster Werden genoemd. Het kan dus noch Suegon, noch Suegsna zijn. Daar op de lijst van bezittingen van Werden "Suecsnon" genoemd wordt bij plaatsen gelegen op de Utrechtse Heuvelrug (Westrachië) moet Suecsnon mogelijk daar gezocht worden. Er zijn in feite te weinig argumenten aan te voeren om "Suabsna" en "Suecsnon" en de familie van Ludger in de Utrechtse Vechtstreek te plaatsen.&lt;br /&gt;Ludger werkt enige tijd in Deventer en omgeving, en gedurende bijna zeven jaar in Austrachië. De opstand van de Saksen onder leiding van Widukind dwingt ook hem, evenals Willihad, het gebied te verlaten. Eerst na enkele jaren kan hij terugkeren.&lt;br /&gt;Karel de Grote wijst hem nu vijf gouwen aan ten oosten van de Lagbeki en geeft Ludger opdracht de bevolking in dat gebied te bekeren. Deze gouwen zijn: Hugmerchie, Emisga, Federitga, Fivelga, Hunusga en het eiland Bant. Traditioneel plaatst men deze gouwen in Friesland en Groningen ten oosten van de huidige Lauwerszee. Hugmerchi zou het huidige Humsterland zijn. Naar mijn mening moeten we het hele gebied zuidelijker zoeken, ten oosten van de Oude IJssel, in Münsterland. Hugmerchi is m.i.het gebied dat nu nog de "Hohe Mark" heet, de Emisgouw ligt nabij de Eems, de overige gouwen in die omgeving. Ludger sticht een klooster op familiegoed in Werden en hij wordt tenslotte in 805 bisschop van Münster. Plaatsen door familieleden geschonken aan zijn klooster te Werden, liggen voor een groot deel op de Veluwe en in Overijssel. In 809 overlijdt Ludger te Billerbeck.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Bij de dood van Karel de Grote in 814 is de kerkelijke organisatie dus al ver gevorderd. Dat het heidendom in Frisia volledig verdrongen zou zijn mogen we niet aannemen. Het steekt telkens weer de kop op. Bisschop Fredericus van Traiectum (828-838) heeft er volgens zijn vita nog zoveel problemen mee dat hij Odulfus te hulp moet roepen om de Friezen weer tot een Christelijke levenswijze te brengen. De komst van de noormannen zal de verbreiding van het Christendom ook niet bevorderd hebben. Zij verwoesten in 857 de zetelplaats Traiectum, zodat bisschop Hunger met zijn gevolg moet uitwijken naar het klooster Odiliënberg (bij Roermond). Vervolgens vestigen de bisschoppen van het bisdom Traiectum hun zetel gedurende de gehele tweede helft van de negende eeuw in Taventria-Deventer.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;In de tiende eeuw keert de rust terug en komt het gewone leven weer op gang. Door een droger klimaat wordt laagliggend Nederland in de loop van de negende eeuw beter geschikt voor bewoning. Veel nederzettingen ontstaan daar in de negende eeuw. De toename van de bevolking zal er de oorzaak van zijn geweest dat in 948 de zetel van Traiectum overgeplaatst wordt van Maastricht naar Utrecht. Een oorkonde uit 948 omschrijft het gebied van het nieuwe bisdom Traiectum-Utrecht als volgt:&lt;br /&gt;de villa Dorsteti, nu Wik geheten, voorts alle overige plaatsen van genoemde villa tot aan de zee, de overige eilanden aan de zee en de aanliggende gebieden die door keizer of koningen verleend zijn aan de kerk van Traiectum.&lt;a title="" style="mso-endnote-id: edn3" href="http://www.blogger.com/post-create.g?blogID=9044284167901118874#_edn3" name="_ednref3"&gt;[3]&lt;/a&gt;&lt;br /&gt;In de "goederenlijst van Utrecht", opgesteld omstreeks 948, worden de plaatsen genoemd, ze liggen alle in Utrecht en Holland. De plaatsen in Gelderland en Overijssel, in vroegere schenkingen genoemd, komen niet meer voor.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Overzien we de voortgang van de kerstening van Nederland vanaf Willibrords tijd tot in de tiende eeuw dan verloopt deze vanuit het zuiden, Maastricht, via Gelderland naar het oosten tot in Münsterland. Eerst in de tiende eeuw volgt Utrecht en Holland, tenslotte Groningen en Friesland.&lt;br /&gt;Een en ander is te volgen aan de hand van de vitae. Willibrord missioneert in Brabant, Limburg, Kleve, en tenslotte in Gelderland. Bonifatius in Gelderland, Overijssel, vervolgens in Westfalen, dan in Hessen en Thüringen. Lebuïnus op de Veluwe en in de wijde omgeving van Deventer. Willihad predikt in Austrachië, dan oostelijk van de Lagbeki, vervolgens in Drente. Tenslotte wordt hij bisschop van Bremen. Ludger opereert in Austrachië, later in Westfalen en wordt bisschop van Münster. Op het einde van de negende eeuw en de eerste helft van de tiende eeuw volgen Holland, Utrecht, Groningen en Friesland.&lt;br /&gt;Dezelfde ontwikkeling is ook te volgen uit de data van de schenkingen. Willibrord ontvangt goederen in Limburg, Brabant, Kleve en tenslotte in Gelderland. Ludger krijgt voor zijn klooster Werden goederen uit Gelderland en Overijssel.&lt;br /&gt;De plaatsen genoemd in schenkingsoorkonden van vóór 900, gericht aan de Martinuskerk van Traiectum - de bisschopskerk van het Friese bisdom - liggen alle in de graafschappen Teisterbant, Batuve of Hamalant.&lt;br /&gt;(Cartularium van het Sticht Utrecht: 726 Heliste in Batuve, 777 Dorestate in Teisterbant en Lisiduna in Batuve; 828 Langhara etc. in Hamaland; 834 Osterbac in Batuve en Prast in Hamalant, 838 Thuina etc. in Hamalant en Batuve; 850 Vuada etc. in Teisterbant).&lt;br /&gt;De goederenlijst van Utrecht, omstreeks 948 opgesteld, noemt tenslotte voor het eerst plaatsen in Utrecht en Holland als bezit van de Martinuskerk te Utrecht.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Conclusie: Aan de hand van vitae en schenkingsoorkonden is duidelijk te volgen dat de kerstening van Nederland verlopen is van het zuiden naar het noorden. Een argument temeer voor de stelling dat niet Utrecht, maar Maastricht, de zetelplaats van Willibrords missiebisdom moet zijn geweest.&lt;br /&gt;&lt;a title="" style="mso-endnote-id: edn1" href="http://www.blogger.com/post-create.g?blogID=9044284167901118874#_ednref1" name="_edn1"&gt;[1]&lt;/a&gt; Vita Gregorii door Ludger.&lt;br /&gt;&lt;a title="" style="mso-endnote-id: edn2" href="http://www.blogger.com/post-create.g?blogID=9044284167901118874#_ednref2" name="_edn2"&gt;[2]&lt;/a&gt; Halbertsma: Frieslands Oudheid, p.122.&lt;br /&gt;&lt;a title="" style="mso-endnote-id: edn3" href="http://www.blogger.com/post-create.g?blogID=9044284167901118874#_ednref3" name="_edn3"&gt;[3]&lt;/a&gt; Cartularium van het Sticht Utrecht nr 17: 948De kerstening van Nederland&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Sticht Utrecht nr 17: 948&lt;div class="blogger-post-footer"&gt;&lt;img width='1' height='1' src='https://blogger.googleusercontent.com/tracker/9044284167901118874-7614861571645962007?l=hanskreijns.blogspot.com' alt='' /&gt;&lt;/div&gt;</content><link rel='replies' type='application/atom+xml' href='http://hanskreijns.blogspot.com/feeds/7614861571645962007/comments/default' title='Reacties plaatsen'/><link rel='replies' type='text/html' href='http://www.blogger.com/comment.g?blogID=9044284167901118874&amp;postID=7614861571645962007' title='0 reacties'/><link rel='edit' type='application/atom+xml' href='http://www.blogger.com/feeds/9044284167901118874/posts/default/7614861571645962007'/><link rel='self' type='application/atom+xml' href='http://www.blogger.com/feeds/9044284167901118874/posts/default/7614861571645962007'/><link rel='alternate' type='text/html' href='http://hanskreijns.blogspot.com/2008/01/de-kerstening-van-nederland.html' title='De kerstening van Nederland'/><author><name>Hans Kreijns</name><uri>http://www.blogger.com/profile/06808236206399647005</uri><email>noreply@blogger.com</email><gd:image rel='http://schemas.google.com/g/2005#thumbnail' width='16' height='16' src='http://img2.blogblog.com/img/b16-rounded.gif'/></author><thr:total>0</thr:total></entry><entry><id>tag:blogger.com,1999:blog-9044284167901118874.post-7920590404041602030</id><published>2007-12-31T02:22:00.000-08:00</published><updated>2008-09-16T11:11:41.438-07:00</updated><title type='text'>De Dani in Nederland</title><content type='html'>&lt;div&gt;&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;div&gt;De Dani in Nederland&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Door de schaarste aan gegevens is over de rol die de "Noormannen" in Nederland hebben gespeeld weinig bekend. Bovendien rijst de vraag of "Frisia", het gebied dat door Roric de Deen in bezit werd genomen, in Nederland juist gesitueerd wordt. De invloed van de "Dani" gedurende de tweede helft van de negende eeuw was zo groot, dat de stichting van een Noormannenrijk in Nederland bijna verwezenlijkt werd.&lt;br /&gt;De vroegste vermelding van Deense plundertochten naar Nederland dateert uit ± 530. In het "Beowulf epos" wordt verhaald hoe Deense schepen onder aanvoering van koning Hygelac op rooftocht trekken naar Frisia. Een leger van Friezen, Hattuariërs (Hetwaren), en Franken weet de Denen te verslaan.&lt;br /&gt;De gebeurtenis berust niet op fantasie, maar wordt inderdaad vermeld door Gregorius van Tours (580). Deze verhaalt de strijd tussen de Frankische Theodebert en koning Chochilaicus (Hygelac). Het strijdtoneel moet ergens in het gebied van Nijmegen of in Noord-Limburg gezocht worden. (zie bijgaand kaartje)&lt;br /&gt;Rooftochten naar Frisia gedurende de zevende en achtste eeuw worden niet vermeld. De contacten tussen Nederland en Scandinavië beperken zich in die periode tot vreedzame handel. Het emporium "Dorestate" speelt hierin een grote rol. Handelsgoederen uit Scandinavië en Engeland, en goederen vanuit het Frankische rijk aangevoerd over de Rijn en de Maas worden in Dorestate verhandeld en verscheept.&lt;br /&gt;Conflicten met de Denen worden in vroege teksten eerst weer vermeld in het begin van de negende eeuw, tijdens de regering van Karel de Grote. Deze voert al sinds jaren oorlog tegen de Saksen, en vervolgens tegen de Welatabi of Vilten aan de Baltische zee.&lt;br /&gt;In "Het leven van Karel de Grote" schrijft Einhard: "De laatste oorlog die hij (Karel) ondernam was die tegen de Noormannen, die Denen worden genoemd….Hun koning Godfried was zo opgeblazen door ijdele hoop dat hij voor zichzelf de heerschappij over heel Germanië in het vooruitzicht stelde. Ook Friesland en Saksen beschouwde hij simpelweg als gebieden die hem toebehoorden." &lt;a title="" style="mso-endnote-id: edn1" href="http://www.blogger.com/post-create.g?blogID=9044284167901118874#_edn1" name="_ednref1"&gt;[1]&lt;/a&gt;&lt;br /&gt;Om zich tegen de Franken te verdedigen liet Godfried een aarden wal opwerpen nabij de rivier de Eider, die van de Noordzee tot aan de Baltische zee reikte. In 810 zond hij een vloot van 200 schepen uit om een aanval op Frisia uit te voeren. Nog vóór de oorlog goed en wel begonnen was, werd Godfried door zijn eigen lijfwacht vermoord.&lt;br /&gt;Karel had inmiddels een effectieve kustverdediging ingericht. Het zou tot 834 duren vooraleer de Denen opnieuw Frisia binnendrongen.&lt;br /&gt;Daar na de dood van koning Godfried meerdere troonpretendenten elkaar de troon betwistten, woedde in Denemarken jarenlang de strijd om de macht. Eén van de elkaar snel opvolgende koningen was Harald, die omstreeks 813-814 korte tijd mee regeerde. Na uit het land te zijn verdreven zocht hij steun bij keizer Lodewijk de Vrome, opvolger van Karel de Grote. Deze zond hem naar Saksen en beval de Saksische hertogen hem te steunen. Harald had wisselend succes. Om zich te verzekeren van de blijvende steun van Lodewijk liet hij zich in 826 te Mainz dopen. Na deze feestelijke plechtigheid voer Harald met zijn vloot, vergezeld van de priester Ansgarius de Rijn af. Via Keulen werd Dorestate bereikt. Vandaar werd de reis voortgezet door Frisia naar Denemarken. Na Haralds doop beleende Lodewijk hem met Rustringen, een gebied aan de grens van Denemarken in noordelijk Saksen.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Harald en zijn beide neven Harald (de jongere) en in het bijzonder Roric spelen een hoofdrol bij de gebeurtenissen in Frisia gedurende de negende eeuw.&lt;br /&gt;Met de eerste plundering van Dorestate in 834 begint voor Nederland de ellende die de Noormannenperiode met zich bracht. Het is niet duidelijk wie de initiator tot deze actie was. Waarschijnlijk was het Harald die zijn plannen in Denemarken niet had kunnen verwezenlijken.&lt;br /&gt;Sedert 830 bestond er onenigheid tussen keizer Lodewijk en zijn drie zonen Lotharius, Lodewijk (de Duitser) en Karel (de Kale).&lt;br /&gt;Er wordt wel verondersteld dat mogelijk Lotharius Harald in zijn politiek betrok.&lt;br /&gt;In 834 wordt Lotharius naar Italië verbannen.&lt;br /&gt;&lt;/div&gt;&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;div&gt;&lt;/div&gt;&lt;a href="http://bp2.blogger.com/_uFgpU1xc8Sk/R3kcqEt3OEI/AAAAAAAAAAU/is48K3Qsiho/s1600-h/Scannen0001+-+kopie.jpg"&gt;&lt;img id="BLOGGER_PHOTO_ID_5150179158021060674" style="WIDTH: 311px; CURSOR: hand; HEIGHT: 427px" height="414" alt="" src="http://bp2.blogger.com/_uFgpU1xc8Sk/R3kcqEt3OEI/AAAAAAAAAAU/is48K3Qsiho/s400/Scannen0001+-+kopie.jpg" width="677" border="0" /&gt;&lt;/a&gt;&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;div&gt;&lt;/div&gt;klik op afbeelding voor vergroting&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;div&gt;&lt;/div&gt;&lt;br /&gt;&lt;div&gt;&lt;/div&gt;&lt;br /&gt;&lt;div&gt;&lt;/div&gt;&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;div&gt;&lt;/div&gt;&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;div&gt;De "Annales Bertiniani" vermelden anno 834:&lt;br /&gt;"classis de Danis veniens in Frisiam, aliquam partem ex illa devastavit et inde per vetus Traiectum ad emporium quod vocatur Dorestatus venientes, omnia diripuerunt…". &lt;a title="" style="mso-endnote-id: edn2" href="http://www.blogger.com/post-create.g?blogID=9044284167901118874#_edn2" name="_ednref2"&gt;[2]&lt;/a&gt;&lt;br /&gt;(Deense schepen verschenen in Frisia, verwoestten een deel en gingen vandaar over vetus Traiectum naar de havenplaats Dorestate die ze geheel uitplunderden).&lt;br /&gt;In andere annalen wordt Traiectum niet genoemd, wel de plundering van Dorestate.&lt;br /&gt;In Traiectum hebben de Denen blijkbaar niets kunnen uitrichten. Mogelijk hebben ze op de kust van Frisia geplunderd, zijn de Maas-Rijnmond binnen gezeild en via de Maas richting Maastricht gevaren. Zonder daar iets te kunnen doen zullen ze teruggekeerd zijn om het onbeschermde Dorestate te plunderen en te verwoesten.&lt;br /&gt;In 835 wordt Dorestate nogmaals bezocht en in brand gestoken. Mensen worden als slaven weggevoerd. De kustverdediging is in de loop der jaren verwaarloosd, een leger om de Noormannen af te slaan is niet snel genoeg ter plaatse.&lt;br /&gt;In 836 is de aanval gericht tegen Antwerpen (Andoverpia) en tegen het aan de Maasmond gelegen "Witlam emporium".&lt;br /&gt;In 837 wordt Walacria verwoest. Walacria zal zeker niet zonder meer als Walcheren geïnterpreteerd mogen worden, daar eerst vanaf de achtste eeuw in Zeeland weer van enige bewoning sprake kan zijn. Kennelijk wordt een groter gebied aangeduid, mogelijk Frisia ten zuiden van de Maas, tot aan het Sincfal (een zee-inham ter hoogte van Brugge).&lt;br /&gt;Bij deze aanval in 837 sneuvelen de Frankische graaf Eggehard en de Deense edelman Hemming, die in dienst van Lodewijk is getreden. Aansluitend op de plundering van Walacria volgt wéér een plundering van Dorestate. Alleen al door het feit dat jaar op jaar de stapelplaats Dorestate het moet ontgelden, moeten we aannemen dat het hier niet alleen gaat om de vicus, maar ook om de streek Dorestate.&lt;br /&gt;De keizer, op weg naar Rome, keert terug en begeeft zich naar Nijmegen (ad Noviomagum castrum, vicinum Dorestate), dat aan Dorestate grenst &lt;a title="" style="mso-endnote-id: edn3" href="http://www.blogger.com/post-create.g?blogID=9044284167901118874#_edn3" name="_ednref3"&gt;[3]&lt;/a&gt;, om maatregelen te treffen voor een betere verdediging van Frisia.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;In 837 valt Frisia binnen het rijksdeel van Karel de Kale, in 839 wordt het hele rijk verdeeld in drie delen, West-Francië komt aan Karel de Kale, Lotharius krijgt het Middenrijk, Lodewijk de Duitser Oost-Francië.&lt;br /&gt;Frisia tot de Maas valt binnen het rijk van Lotharius. De Annales Bertiniani vermelden als behorend tot het rijk van Lotharius:&lt;br /&gt;(…) regnum Saxoniae cum marchis suis, ducatum Fresiae usque Mosam, comitatum Hamarlant, comitatum Batavorum, comitatum Testrabenti cum Dorestate (…). &lt;a title="" style="mso-endnote-id: edn4" href="http://www.blogger.com/post-create.g?blogID=9044284167901118874#_edn4" name="_ednref4"&gt;[4]&lt;/a&gt;&lt;br /&gt;Traditioneel wordt dit opgevat als het hertogdom Frisia, en daarnaast (niet tot Frisia behorend) de graafschappen Hamalant, Batuve en Teisterbant. "Frisia" wordt dus langs de huidige kust gesitueerd.&lt;br /&gt;Dorestate, het "emporium" in Teisterbant, zou dan buiten het hertogdom Frisia vallen. Een niet voor de hand liggende interpretatie, mede daar de bewoners van Teisterbant als Friezen worden aangeduid.&lt;a title="" style="mso-endnote-id: edn5" href="http://www.blogger.com/post-create.g?blogID=9044284167901118874#_edn5" name="_ednref5"&gt;[5]&lt;/a&gt; Zoals ook uit de hierna te bespreken gebeurtenissen zal blijken, moeten we aannemen dat de graafschappen Hamalant, Batuve, en Teisterbant tot het ducatum Frisia behoorden, er zelfs de kern van uitmaakten.&lt;br /&gt;De vertaling zou dan moeten zijn: Ducatum Frisiae usque Mosam, te weten comitatum Hamarlant, comitatum Batavorum, comitatum Testrabenti cum Dorestate. Frisia usque Mosam strekte zich uit vanaf deze comitates tot de eilanden in zee.&lt;br /&gt;In 839 beleent keizer Lodewijk de Vrome de Deense prins Harald, (neef van de eerder genoemde Harald van Riustringen) met Walacria, en diens broer Roric met Dorestate. Dit hield in dat zij ook met de verdediging van hun leen belast waren.&lt;br /&gt;Keizer Lodewijk overlijdt in 840.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Frisia tot de Maas was in 839 aan Lodewijks zoon Lotharius toegewezen. Frisia ten zuiden van de Maas viel binnen het rijk van Karel de Kale. Lotharius bezette Karels deel van Frisia tussen Maas en Sincfal en handhaaft Harald in Walacria.&lt;a title="" style="mso-endnote-id: edn6" href="http://www.blogger.com/post-create.g?blogID=9044284167901118874#_edn6" name="_ednref6"&gt;[6]&lt;/a&gt; Hij beschuldigt Roric, die onder keizer Lodewijk Dorestate in leen hield, van verraad (valselijk, volgens de kroniek) en zet hem gevangen. Roric weet te ontsnappen, hij zoekt steun bij Lodewijk de Duitser en wijkt uit naar Saksen. Van daaruit houdt hij&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;zich (hoewel dit nergens uitdrukkelijk vermeld wordt), bezig met plundertochten in Frisia. In 846 worden Westrachië, Ostrachië, en opnieuw Dorestate geplunderd.&lt;a title="" style="mso-endnote-id: edn7" href="http://www.blogger.com/post-create.g?blogID=9044284167901118874#_edn7" name="_ednref7"&gt;[7]&lt;/a&gt; Lotharius, die zich in zijn paleis in Noviomagus bevindt, moet machteloos toezien.&lt;a title="" style="mso-endnote-id: edn8" href="http://www.blogger.com/post-create.g?blogID=9044284167901118874#_edn8" name="_ednref8"&gt;[8]&lt;/a&gt;&lt;br /&gt;&lt;/div&gt;&lt;a href="http://bp3.blogger.com/_uFgpU1xc8Sk/R3kgkUt3OFI/AAAAAAAAAAc/8pN8_feZtJk/s1600-h/Scannen0002.jpg"&gt;&lt;img id="BLOGGER_PHOTO_ID_5150183457283323986" style="CURSOR: hand" alt="" src="http://bp3.blogger.com/_uFgpU1xc8Sk/R3kgkUt3OFI/AAAAAAAAAAc/8pN8_feZtJk/s400/Scannen0002.jpg" border="0" /&gt;&lt;/a&gt;&lt;br /&gt;&lt;div&gt;&lt;/div&gt;&lt;br /&gt;&lt;div&gt;Klik op afbeelding voor vergroting&lt;/div&gt;&lt;div&gt; &lt;/div&gt;&lt;div&gt;In 847 zeilen de Denen de Rijn op, langs Dorestate en bereiken de vicus van Meginhard, negen mijl stroomopwaarts van Dorestate gelegen, in het graafschap Batuve. Ze verslaan de Frankische graven Sighir en Liuthar.&lt;br /&gt;In 850 verschijnt Roric met een grote vloot, hij richt vernielingen aan op de kust van Frisia en vaart via de Ostia Rheni naar Dorestate dat hij bezet. Lotharius is te zwak om hem te weerstaan en ziet zich gedwongen Roric als vazal aan te nemen, met alle rechten en plichten die daaraan verbonden zijn.&lt;a title="" style="mso-endnote-id: edn9" href="http://www.blogger.com/post-create.g?blogID=9044284167901118874#_edn9" name="_ednref9"&gt;[9]&lt;/a&gt;&lt;br /&gt;Roric ontvangt "Dorestate en andere graafschappen" in leen. Van deze graafschappen zijn ongetwijfeld Teisterbant, Batuve, en Hamalant de belangrijkste. (graafschappen in Holland, Friesland of Groningen zijn overigens ook niet bekend). Dat het "graafschap Batuve" deel uitmaakte van Rorics Friese leen blijkt o.a. uit een oorkonde van Lotharius II, d.d. 13 sept. 860. Deze oorkonde vermeldt een schenking "ex benificio Hroric" aan de abdij van Lobbes "in de villa Gannita". Gannita (Gendt) ligt in het graafschap Batuve. Dus uit het leen van Roric in het graafschap Batuve.&lt;a title="" style="mso-endnote-id: edn10" href="http://www.blogger.com/post-create.g?blogID=9044284167901118874#_edn10" name="_ednref10"&gt;[10]&lt;/a&gt;&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Rorics broer Harald (de jongere) is in 845 gesneuveld. Zoals ook zal blijken uit het vervolg van dit betoog moet Roric in 850 heel Frisia in leen hebben ontvangen. Toch blijft hij pogingen in het werk stellen om de troon van Denemarken te bezetten. De annales Bertiniani melden anno 855:&lt;br /&gt;"Lotharius totam Fresiam filio suo Lothario donat. Unde Roric et Godefridus patriam, id est Daniam, repedant spe potestatis regiae nanciscendae".&lt;br /&gt;Lotharius geeft geheel Frisia aan zijn zoon Lotharius (II), Roric en Godfried (zoon van Harald de Oude) keren terug naar Denemarken in de hoop daar de macht te verwerven. Dit lukt echter niet, en Roric neemt opnieuw bezit van Dorestate en Frisia, nu uiteraard met Lotharius II als leenheer.&lt;br /&gt;In 857 doet Roric opnieuw een poging de macht in Denemarken te verwerven. Hij rust een vloot uit, vaart naar zijn vaderland, maar kan de overwinning niet behalen. Via onderhandeling met de Deense koning Horic komt hij wel in bezit van een deel van het land, het gebied tussen de Eider en de zee. Daar verblijft hij meerdere jaren, waardoor van de verdediging van Frisia niet veel terecht komt. Met als gevolg dat Dorestate, het graafschap Batuve, en omliggend gebied in dat jaar door andere Denen verwoest wordt. Ook Traiectum moet het in dat jaar ontgelden. De stad wordt in 857 zo zwaar getroffen dat bisschop Hunger en zijn clerici uit de stad moeten vertrekken om tenslotte een toevlucht te vinden in het klooster Odiliënberg, dicht bij het huidige Roermond.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;In zijn "legende van Sint Servaas" geeft Henric van Veldeke (± 1100) een beschrijving - uit overlevering van zijn tijd - waardoor we ons een voorstelling kunnen maken hoe verwoesting en brandstichting toentertijd toegingen:&lt;br /&gt;(zeer vrije vertaling in huidig Nederlands):&lt;br /&gt;Nadat Karel gestorven was&lt;br /&gt;kwam het volk der Denen&lt;br /&gt;met geweld in het land&lt;br /&gt;tot groot verdriet van velen&lt;br /&gt;in Lotharingen&lt;br /&gt;dat zij het land bedwongen&lt;br /&gt;tussen de Maas en de Rijn&lt;br /&gt;was nu eenmaal zo&lt;br /&gt;dat land hadden ze al veroverd&lt;br /&gt;waar ze gebruik van mochten maken&lt;br /&gt;dat beroofden en bestalen ze&lt;br /&gt;tot ze in Maastricht kwamen&lt;br /&gt;waar de goede sint Servaas&lt;br /&gt;verheven en geëerd werd&lt;br /&gt;en het waardig heiligdom&lt;br /&gt;dat zich bevond in zijn domkerk&lt;br /&gt;in het vuur wilden verbranden&lt;br /&gt;sint Servaas was daar&lt;br /&gt;en hij strafte vreselijk&lt;br /&gt;met ladders klommen ze op het dak&lt;br /&gt;en staken de kerk in brand&lt;br /&gt;met vuur en met vlas&lt;br /&gt;met droog hout en met stro&lt;br /&gt;toen schrokken ze terug&lt;br /&gt;want sommigen verbranden&lt;br /&gt;zichzelf en hun kleren&lt;br /&gt;door hun eigen vuur&lt;br /&gt;ze moesten het duur bekopen&lt;br /&gt;dat ze de kerk aanstaken&lt;br /&gt;sommigen braken de nek&lt;br /&gt;die naar beneden stortten&lt;br /&gt;sommigen kleefden aan de muur&lt;br /&gt;men zag ze verschrikkelijk gebaren&lt;br /&gt;alsof ze monsters waren&lt;br /&gt;dat deed de levende God&lt;br /&gt;sommigen bleven hangen&lt;br /&gt;aan het dak met de handen&lt;br /&gt;totdat ze zich bekeerden&lt;br /&gt;die bereid waren&lt;br /&gt;God om genade te smeken en sint Servaas&lt;br /&gt;die hij genade wilde schenken&lt;br /&gt;die vergaf hij zijn toorn&lt;br /&gt;de anderen gingen alle verloren&lt;br /&gt;zo strafte sint Servaas.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;In 859 volgt weer een verwoesting van Batuve.&lt;br /&gt;Hoe lang Roric in Denemarken verbleven heeft is uit de kronieken niet op te maken. In 862 is hij in elk geval weer in zijn Friese leen terug. Er is een schrijven uit dat jaar bewaard van aartsbisschop Hincmar van Reims, waarin deze Roric vermaant om geen hulp te verlenen aan Boudewijn van Vlaanderen. Boudewijn heeft de dochter van Karel de Kale ontvoerd en wil haar huwen. Maar Karel geeft geen toestemming, waarop Boudewijn wordt geëxcommuniceerd. Hincmar verzoekt tevens aan bisschop Hunger van Traiectum, om de niet lang daarvoor tot het Christendom bekeerde Roric op het hart te drukken Boudewijn op geen enkele wijze te ondersteunen. Roric moet dus vóór die tijd zijn teruggekeerd in zijn Friese hertogdom.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;In 863, heel vroeg in het jaar, zeilt een Deense vloot de Rijn op richting Keulen, ze ontvolken&lt;br /&gt;het emporium Dorestate en varen dan verder de Rijn op naar Xanten, waar veel Friezen en Friese kooplui naar toe gevlucht zijn. De stad wordt verwoest en veel mensen worden gedood of gevangen genomen.&lt;a title="" style="mso-endnote-id: edn11" href="http://www.blogger.com/post-create.g?blogID=9044284167901118874#_edn11" name="_ednref11"&gt;[11]&lt;/a&gt;&lt;br /&gt;Ook de kerk van St. Victor in Xanten moet er aan geloven, de relieken van de heilige worden op het nippertje gered en naar Keulen gebracht.&lt;br /&gt;De Dani varen vervolgens verder en installeren zich op een eiland bij Neuss. Lotharius tracht van de ene zijde van de Rijn, de Saksen van de andere zijde, hen te verjagen, maar het duurt tot april eer de Denen, mede door bemiddeling van Roric, besluiten terug te keren.&lt;a title="" style="mso-endnote-id: edn12" href="http://www.blogger.com/post-create.g?blogID=9044284167901118874#_edn12" name="_ednref12"&gt;[12]&lt;/a&gt; Waarschijnlijk is Rodulf, zoon van Harald de jongere, de leider van deze expeditie geweest. In 864 wordt namelijk aan Rodulf door Lotharius II een schatting (afkoopsom) betaald.&lt;br /&gt;De annales Xantenses vermelden ook in volgende jaren invallen in Frisia, maar ze schijnen minder ernstig te zijn geweest. Ze worden in de overige annalen niet genoemd.&lt;br /&gt;Vanaf deze tijd horen we van Dorestate vrijwel niets meer. De stapelplaats heeft niet alleen door de vele plunderingen, maar ook door een gewijzigde watersituatie haar belang verloren. De havens Tiel aan de Ostia Rheni en Deventer aan de IJssel nemen vanaf nu haar taken over.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;In augustus 869 sterft Lotharius II. Zijn oom Karel de Kale maakt meteen van de gelegenheid gebruik om Lotharingen te bezetten. In september laat hij zich te Metz tot koning kronen. Vervolgens neemt hij bezit van het paleis in Aken. Hij doet er alles aan om de adel en geestelijkheid van Lotharingen over te halen hem te erkennen. Ook met Roric sluit hij in januari 870 te Nijmegen een verbond om zich van diens hulp te verzekeren.&lt;br /&gt;Lodewijk de Duitser kan aanvankelijk wegens ziekte niets doen tegen deze gang van zaken, die volledig in strijd is met vroeger gemaakte afspraken. Lodewijk herstelt echter spoedig, en Karel ziet zich gedwongen te onderhandelen over de verdeling van Lotharingen. Lodewijk begeeft zich naar Meerssen, Karel naar Herstal.&lt;br /&gt;Te Caestert (een vroeger Romeins castrum op 4 km ten zuiden van Maastricht), halverwege Herstal en Meerssen gelegen, wordt het definitieve verdelingverdrag gesloten. Voor het noordelijk gedeelte van Lotharingen vormt de Maas vanaf Luik de scheiding van het gebied van Karel en Lodewijk. Tweederde van Frisia (Hamalant, Batuve, Teisterbant, vanaf de Maas tot aan zee) valt toe aan Lodewijk de Duitser, eenderde (zuidelijk van de Maas tot het Sincfal) aan Karel de Kale.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Roric wordt dus zowel vazal van Lodewijk als van Karel. In 872 vaart hij samen met Rodulf de Maas op naar Maastricht om daar Karel de Kale te ontmoeten. Karel neemt Roric aan als zijn vazal, Rodulf accepteert hij niet.&lt;a title="" style="mso-endnote-id: edn13" href="http://www.blogger.com/post-create.g?blogID=9044284167901118874#_edn13" name="_ednref13"&gt;[13]&lt;/a&gt;&lt;br /&gt;In 873 vaart Roric opnieuw de Maas op naar Maastricht, nu om de eed van trouw af te leggen aan Lodewijk de Duitser. Lodewijk moet gijzelaars zenden naar Rorics schip, alvorens deze het waagt zich naar Aken te begeven. Hij legt de eed af en wordt door Lodewijk als vazal aangenomen.&lt;a title="" style="mso-endnote-id: edn14" href="http://www.blogger.com/post-create.g?blogID=9044284167901118874#_edn14" name="_ednref14"&gt;[14]&lt;/a&gt;&lt;br /&gt;Rodulf, afgewezen als vazal, besluit zijn plundertochten te hervatten. Hij valt met een kleine vloot Ostrachia binnen, en eist een schatting van de bewoners. Deze weigeren, waarop Rodulf dreigt alle mannen te vermoorden en vrouwen en kinderen weg te voeren. Een gevecht volgt, waarbij Rodulf sneuvelt.&lt;a title="" style="mso-endnote-id: edn15" href="http://www.blogger.com/post-create.g?blogID=9044284167901118874#_edn15" name="_ednref15"&gt;[15]&lt;/a&gt;&lt;br /&gt;Voor Frisia volgt een wat rustiger periode, die tot 880 duurt. In de jaren tussen 873 en 882 moet Roric overleden zijn, in de annalen wordt het jaar van zijn overlijden niet vermeld.&lt;br /&gt;Ruim veertig jaar heeft Roric de loop der gebeurtenissen in Frisia mee bepaald. Aanvankelijk speelde hij de bedenkelijke rol van plunderaar en vervolgens van veroveraar. Ondanks alles noemen de annalen van Fulda hem in 882: "Nordmannus Francorum regibus fidelis", de Noorman, trouw aan de Frankische vorsten. Een directe opvolger had hij niet, zijn Deense rijk wordt, zoals we zullen zien, echter nog enkele jaren voortgezet.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Vanaf het jaar 878 concentreert zich rondom Gent en Kortrijk een groot Noormannenleger. Naast Denen, ook Noren die van Engeland zijn overgestoken, verdreven door de Engelse koning Alfred. Bovendien Noormannen die tot dan toe in Frankrijk opereerden. Boudewijn van Vlaanderen overlijdt in 879, de Noormannen hebben in het Scheldegebied weinig te vrezen.&lt;br /&gt;Waarschijnlijk is het een deel van dit leger dat in 880 de Waal opvaart, en vervolgens de Rijn tot de stad Birten. Deze plaats, waar veel Friezen woonden, wordt in de as gelegd. De Noormannen keren daarna terug naar Nijmegen, waar ze rondom het paleis een wal opwerpen, om daar hun winterkwartieren in te richten.&lt;a title="" style="mso-endnote-id: edn16" href="http://www.blogger.com/post-create.g?blogID=9044284167901118874#_edn16" name="_ednref16"&gt;[16]&lt;/a&gt;&lt;br /&gt;Lodewijk de Duitser, overleden in 876, is inmiddels opgevolgd door zijn drie zonen: Karloman, Karel - bijgenaamd de Dikke - en Lodewijk III. Deze laatste komt na de dood van Lodewijk de Duitser o.a. in het bezit van Frisia en Saksen.&lt;br /&gt;Lodewijk III belegert de Noormannen die zich in het paleis van Nijmegen verschanst hebben, maar zijn leger is niet in staat de Noormannen te verdrijven. De Hamalantse graaf Eberhard wordt zelfs gevangen genomen. Slechts door onderhandelingen weet Lodewijk de Noormannen te bewegen weg te trekken. Voor Eberhard moet een hoog losgeld betaald worden. Alvorens te gaan, roven ze wat er is en steken het paleis in brand.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Het grote Noormannenleger dat reeds enkele jaren het Scheldegebied en omgeving had geplunderd moest uitzien naar nieuwe streken waar nog iets te halen viel. Al eerder hadden ze tochten in oostelijke richting ondernomen. Onder aanvoering van hun "koningen" Godfried en Siegfried, trekken ze in 881 naar het Maasgebied, en richten een groot kamp in bij Haslon aan de Maas.&lt;a title="" style="mso-endnote-id: edn17" href="http://www.blogger.com/post-create.g?blogID=9044284167901118874#_edn17" name="_ednref17"&gt;[17]&lt;/a&gt; Vanuit deze basis overvallen en verwoesten ze allereerst Luik, Maastricht, en Tongeren. Vervolgens gaan hun tochten naar Ripuarië. Keulen wordt verwoest, Bonn, Zülpich, Jülich, Neuss. Kerken en kloosters gaan in vlammen op, Inde, Malmedy, Stavelot. Ze kunnen praktisch ongestoord hun gang gaan. Tenslotte plunderen ze Aken en stallen hun paarden in de kapel van Karel de Grote.&lt;br /&gt;Lodewijk III is ziek, hij overlijdt in januari 882. Lodewijks broer Karel de Dikke, die zich in Italië bevindt, wordt te hulp geroepen. Deze begeeft zich naar het noorden, wordt eerst nog tot keizer gekroond, en verzamelt dan een groot leger. De Noormannen verwoesten intussen Koblenz, steken Trier in brand, en plunderen het Moezel- en Maasgebied.&lt;br /&gt;Eindelijk, het is inmiddels juli 882, wordt het kamp in Haslon ingesloten door de troepen van Karel de Dikke. Karel beperkt zich tot belegering en aarzelt om tot de aanval over te gaan. Zware regenval, en het uitbreken van epidemieën maken de situatie voor beide legers nauwelijks houdbaar. De weifelachtige houding van Karel dwingt hem tenslotte tot onderhandelen. De eisen van de Noormannen zijn hoog, maar Karel stemt toe. Godfried verlangt het vroegere leen van Roric, Siegfried is tevreden met een afkoopsom van 2080 pond goud en zilver. Godfried - waarschijnlijk verwant met Roric, hoewel de familieband niet bekend is - laat zich dopen, en huwt Gisela, een dochter van Lotharius II.&lt;br /&gt;Het gebied van Roric, dat Godfried nu in leen krijgt, "Dorestate en andere graafschappen", wordt door Regino van Prüm omschreven als "Fresia provincia".&lt;br /&gt;De Annales Fuldenses omschrijven "Fresia provincia" als: "de graafschappen en beneficiën die de Noorman Roric in Kinnin in leen hield".&lt;br /&gt;De kern van Frisia, die omstreeks 850 met het gebied rond Dorestate werd aangegeven, is rond 880 blijkbaar opgeschoven in oostelijke richting naar Kinnin of Kinheim in het graafschap Hamalant.&lt;a title="" style="mso-endnote-id: edn18" href="http://www.blogger.com/post-create.g?blogID=9044284167901118874#_edn18" name="_ednref18"&gt;[18]&lt;/a&gt; De voortdurende plunderingen in Dorestate en in het graafschap Batuve zullen daar niet vreemd aan zijn.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Kinheim is het gebied bij en ten noorden van Wesel, waar we vervolgens Godfried ook zien opereren. Traditioneel wordt "Kinheim" als Kennemerland geïnterpreteerd. De plaatsen die bekend zijn uit de Noormannentijd tonen aan dat die interpretatie niet juist is. Zoals eerder opgemerkt, strekte m.i. het gebied van het ducatus Frisia zich niet uit langs de huidige kust, maar vanaf het Sincfal over Midden-Nederland naar Münsterland.&lt;br /&gt;Godfried installeert zich in zijn nieuwe gebied, en o.a. Wichman, graaf van Hamalant; Rixfried graaf van Batuve; en Gerulf, (waarschijnlijk) graaf van Teisterbant; worden zijn vazallen. Of Godfried zich van zijn taak, de grensverdediging van het Frankische rijk, behoorlijk kwijt, lijkt twijfelachtig. In 884 valt een vloot uit Denemarken binnen. Met toestemming van Godfried varen de Denen vanuit Kinheim de Rijn op naar Duisburg, waar ze zich verschansen om er de winter door te brengen. Erg veel schade kunnen ze niet aanrichten, de Saksische graaf Hendrik weet grotere plundertochten te voorkomen.&lt;a title="" style="mso-endnote-id: edn19" href="http://www.blogger.com/post-create.g?blogID=9044284167901118874#_edn19" name="_ednref19"&gt;[19]&lt;/a&gt; In het voorjaar trekken ze terug naar de kust.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Godfried acht zijn positie zo sterk dat hij plannen begint te smeden om zijn gebied uit te breiden. Hij treedt in onderhandeling met Hugo, bastaardzoon van Lotharius II. Deze stelde zich voor Lotharingen in bezit te kunnen krijgen, waarbij hij de hulp van Godfried goed zou kunnen gebruiken.&lt;br /&gt;Godfried zendt de Friese graven Gerulf en Gardulf als afgezanten naar Karel de Dikke. Zijn eis komt neer op het volgende: indien Karel verwacht dat hij, Godfried, de grens van het rijk zal blijven verdedigen tegen andere Noormannen, dan verlangt Godfried gebieden bij Confluentes, Andrenacum, Sincicha, (Koblenz, Andernach, Sinsig) en andere gebieden rijk aan wijngaarden, daar in zijn eigen gebied Frisia geen wijn verbouwd wordt.&lt;a title="" style="mso-endnote-id: edn20" href="http://www.blogger.com/post-create.g?blogID=9044284167901118874#_edn20" name="_ednref20"&gt;[20]&lt;/a&gt; Karel acht het niet mogelijk om Godfried, ondanks deze brutale eis, met geweld het land uit te jagen. Bovendien is hem, waarschijnlijk door toedoen van graaf Gerulf, het bondgenootschap met Hugo ter ore gekomen. Om Godfried uit te schakelen besluit men gebruik te maken van een list. Er wordt een afspraak gemaakt met Godfried om over diens eis te onderhandelen. Plaats van samenkomst is Herispich (Spijk), waar de Waal zich aftakt van de Rijn. Dat Godfried zich voor dergelijke onderhandelingen ver buiten zijn gebied zou begeven - en dat moeten we veronderstellen indien we Frisia situeren langs de kust - is zeer onwaarschijnlijk. Heripich ligt echter in Kinheim, de kern van Godfrieds gebied. Een kleine afvaardiging, waaronder aartsbisschop&lt;br /&gt;Willibert van Keulen en Hendrik, markgraaf van Saksen, wordt door&lt;br /&gt;Godfried ontvangen. Volgens vooropgezet plan lokt Eberhard - dezelfde die in 880 door de Noormannen te Nijmegen gevangen werd genomen - een twist uit met Godfried, en voor deze zich realiseert wat er gebeurd, trekt Eberhard zijn zwaard en steekt hem neer. Hetzelfde lot treft de overige Denen rond Godfried. Nog onkundig van deze moord, zeilt&lt;br /&gt;intussen een Noormannenvloot de Rijn op en bedreigt het Westfaalse gebied. Daar stuiten ze op de Saksen die graaf Hendrik onopvallend op de achtergrond heeft gehouden. In de rug worden de Denen aangevallen door de Friezen van Teisterbant die in hun kleine boten gevolgd zijn. Tegen deze onverwachte tegenstand moeten de Noormannen het afleggen en ze worden in de pan gehakt.&lt;a title="" style="mso-endnote-id: edn21" href="http://www.blogger.com/post-create.g?blogID=9044284167901118874#_edn21" name="_ednref21"&gt;[21]&lt;/a&gt;&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Hiermee komt een abrupt einde aan de macht van de Denen in Frisia. Zo Godfried de politiek van Roric had doorgezet zou de Deense overmacht in Frisia mogelijk geleid hebben tot een Nederlands Normandië. We mogen aannemen dat in de veertig jaar van hun aanwezigheid een kleiner of groter aantal Denen zich hier gevestigd heeft. Die periode was echter te kort en te chaotisch om een blijvende Deense invloed te verwachten.&lt;br /&gt;Graaf Eberhard wordt hertog van Hamalant. Gerulf is de stamvader van de Hollandse graven, die terecht, zich nog generaties lang comites Fresonum blijven noemen.&lt;br /&gt;&lt;a title="" style="mso-endnote-id: edn1" href="http://www.blogger.com/post-create.g?blogID=9044284167901118874#_ednref1" name="_edn1"&gt;[1]&lt;/a&gt; Einhard: Het leven van Karel de Grote. Vertaald door P. De Rynck, Amsterdam 1999.&lt;br /&gt;&lt;a title="" style="mso-endnote-id: edn2" href="http://www.blogger.com/post-create.g?blogID=9044284167901118874#_ednref2" name="_edn2"&gt;[2]&lt;/a&gt; M.G.S. I: p.428&lt;br /&gt;&lt;a title="" style="mso-endnote-id: edn3" href="http://www.blogger.com/post-create.g?blogID=9044284167901118874#_ednref3" name="_edn3"&gt;[3]&lt;/a&gt; Annales Bertiniani anno 837&lt;br /&gt;&lt;a title="" style="mso-endnote-id: edn4" href="http://www.blogger.com/post-create.g?blogID=9044284167901118874#_ednref4" name="_edn4"&gt;[4]&lt;/a&gt; M.G.S. I: p.435.&lt;br /&gt;&lt;a title="" style="mso-endnote-id: edn5" href="http://www.blogger.com/post-create.g?blogID=9044284167901118874#_ednref5" name="_edn5"&gt;[5]&lt;/a&gt; Annales Fuldenses anno 885.&lt;br /&gt;&lt;a title="" style="mso-endnote-id: edn6" href="http://www.blogger.com/post-create.g?blogID=9044284167901118874#_ednref6" name="_edn6"&gt;[6]&lt;/a&gt; Annales Bertiniani anno 841.&lt;br /&gt;&lt;a title="" style="mso-endnote-id: edn7" href="http://www.blogger.com/post-create.g?blogID=9044284167901118874#_ednref7" name="_edn7"&gt;[7]&lt;/a&gt; Voor de situering van Ostrachië en Westrachië zie SEMafoor 2.4, november 2001.&lt;br /&gt;&lt;a title="" style="mso-endnote-id: edn8" href="http://www.blogger.com/post-create.g?blogID=9044284167901118874#_ednref8" name="_edn8"&gt;[8]&lt;/a&gt; Annales Fuldenses, anno 845&lt;br /&gt;&lt;a title="" style="mso-endnote-id: edn9" href="http://www.blogger.com/post-create.g?blogID=9044284167901118874#_ednref9" name="_edn9"&gt;[9]&lt;/a&gt; Annales Fuldenses, anno 850.&lt;br /&gt;&lt;a title="" style="mso-endnote-id: edn10" href="http://www.blogger.com/post-create.g?blogID=9044284167901118874#_ednref10" name="_edn10"&gt;[10]&lt;/a&gt; M.G.H. Diplomata Karolinorum, Lothar I, II, 860.&lt;br /&gt;&lt;a title="" style="mso-endnote-id: edn11" href="http://www.blogger.com/post-create.g?blogID=9044284167901118874#_ednref11" name="_edn11"&gt;[11]&lt;/a&gt; Annales Bertiniani anno 863.&lt;br /&gt;&lt;a title="" style="mso-endnote-id: edn12" href="http://www.blogger.com/post-create.g?blogID=9044284167901118874#_ednref12" name="_edn12"&gt;[12]&lt;/a&gt; Annales Xantenses anno 864.&lt;br /&gt;&lt;a title="" style="mso-endnote-id: edn13" href="http://www.blogger.com/post-create.g?blogID=9044284167901118874#_ednref13" name="_edn13"&gt;[13]&lt;/a&gt; Annales Bertiniani anno 872.&lt;br /&gt;&lt;a title="" style="mso-endnote-id: edn14" href="http://www.blogger.com/post-create.g?blogID=9044284167901118874#_ednref14" name="_edn14"&gt;[14]&lt;/a&gt; Annales Fuldenses anno 873.&lt;br /&gt;&lt;a title="" style="mso-endnote-id: edn15" href="http://www.blogger.com/post-create.g?blogID=9044284167901118874#_ednref15" name="_edn15"&gt;[15]&lt;/a&gt; Annales Fuldenses anno 873.&lt;br /&gt;&lt;a title="" style="mso-endnote-id: edn16" href="http://www.blogger.com/post-create.g?blogID=9044284167901118874#_ednref16" name="_edn16"&gt;[16]&lt;/a&gt; Annales Fuldenses anno 880.&lt;br /&gt;&lt;a title="" style="mso-endnote-id: edn17" href="http://www.blogger.com/post-create.g?blogID=9044284167901118874#_ednref17" name="_edn17"&gt;[17]&lt;/a&gt; Elslo bij Maastricht, of Asselt bij Roermond.&lt;br /&gt;&lt;a title="" style="mso-endnote-id: edn18" href="http://www.blogger.com/post-create.g?blogID=9044284167901118874#_ednref18" name="_edn18"&gt;[18]&lt;/a&gt; De pagus Kinheim, SEMafoor augustus 2001.&lt;br /&gt;&lt;a title="" style="mso-endnote-id: edn19" href="http://www.blogger.com/post-create.g?blogID=9044284167901118874#_ednref19" name="_edn19"&gt;[19]&lt;/a&gt; Kroniek van Regino van Prüm anno 884.&lt;br /&gt;&lt;a title="" style="mso-endnote-id: edn20" href="http://www.blogger.com/post-create.g?blogID=9044284167901118874#_ednref20" name="_edn20"&gt;[20]&lt;/a&gt; Kroniek van Regino van Prüm anno 885.&lt;br /&gt;&lt;a title="" style="mso-endnote-id: edn21" href="http://www.blogger.com/post-create.g?blogID=9044284167901118874#_ednref21" name="_edn21"&gt;[21]&lt;/a&gt; Annales Fuldenses anno 885.&lt;/div&gt;&lt;/div&gt;&lt;div class="blogger-post-footer"&gt;&lt;img width='1' height='1' src='https://blogger.googleusercontent.com/tracker/9044284167901118874-7920590404041602030?l=hanskreijns.blogspot.com' alt='' /&gt;&lt;/div&gt;</content><link rel='replies' type='application/atom+xml' href='http://hanskreijns.blogspot.com/feeds/7920590404041602030/comments/default' title='Reacties plaatsen'/><link rel='replies' type='text/html' href='http://www.blogger.com/comment.g?blogID=9044284167901118874&amp;postID=7920590404041602030' title='0 reacties'/><link rel='edit' type='application/atom+xml' href='http://www.blogger.com/feeds/9044284167901118874/posts/default/7920590404041602030'/><link rel='self' type='application/atom+xml' href='http://www.blogger.com/feeds/9044284167901118874/posts/default/7920590404041602030'/><link rel='alternate' type='text/html' href='http://hanskreijns.blogspot.com/2007/12/de-dani-in-nederland.html' title='De Dani in Nederland'/><author><name>Hans Kreijns</name><uri>http://www.blogger.com/profile/06808236206399647005</uri><email>noreply@blogger.com</email><gd:image rel='http://schemas.google.com/g/2005#thumbnail' width='16' height='16' src='http://img2.blogblog.com/img/b16-rounded.gif'/></author><media:thumbnail xmlns:media='http://search.yahoo.com/mrss/' url='http://bp2.blogger.com/_uFgpU1xc8Sk/R3kcqEt3OEI/AAAAAAAAAAU/is48K3Qsiho/s72-c/Scannen0001+-+kopie.jpg' height='72' width='72'/><thr:total>0</thr:total></entry><entry><id>tag:blogger.com,1999:blog-9044284167901118874.post-8139109559559678361</id><published>2007-12-29T03:00:00.000-08:00</published><updated>2007-12-29T04:14:23.646-08:00</updated><title type='text'>De pagus Wirense</title><content type='html'>De pagus Wirense.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;In een overgeleverde lijst van schenkingen aan het door Bonifatius gestichte klooster Fulda wordt de “pagus Wirense” in Fresia genoemd. Uit het goederenregister van Utrecht kennen we de naam “Wiron”. Is de gangbare interpretatie “Wieringen” juist?&lt;br /&gt;Uit excerpten van oorkonden, genoteerd in de twaalfde eeuw te Fulda, kennen we de namen van een aantal goederen in Fresia, die in de eerste helft van de negende eeuw aan het klooster Fulda werden geschonken. Verondersteld mag worden dat deze schenkingen aan het door Bonifatius gestichte klooster het gevolg zijn van de prediking door Bonifatius in Fresia, o.a. in de pagus Wirense. Hoewel de giften slechts bekend zijn uit 12e eeuwse afschriften van inmiddels verloren geraakte oorkonden, bestaat er geen reden aan de echtheid van de gegevens te twijfelen.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Wel kan de vraag gesteld worden of met de pagus Wirense, Wironi, Waldahi, Wira, Wirah, Wisaha, zoals het gebied in de excerpten genoemd wordt, inderdaad het huidige “Wieringen” werd aangeduid. De prediking door Bonifatius in Wieringen moet dan hebben plaatsgevonden omstreeks 720, in de periode dat hij met Willibrord samenwerkte. Dat hij in zijn laatste levensjaar - 82 jaar oud - naast de prediking in Westrachië en Austrachië tevens actief was in Wieringen en Texel is niet te verwachten. Wieringen was - gezien de archeologische bevindingen - een nauwelijks bewoond gebied, waar in het gunstigste geval, een zeer schaarse bevolking zich moest zien te handhaven op terpen. Dat Bonifatius met zijn helpers in deze streek missioneerde, een dichter bewoond heidens gebied achter zich latend, is zeker niet voor de hand liggend. De vraag of in de oorkonden Wieringen werd aangeduid is dan ook terecht.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;De namen die genoemd worden in de pagus Wirense zijn (OHZ, Oorkondenboek van Holland en Zeeland): loco Wictulfingafurt, villa Brockenlar, Fluvium Maresdeop. Een villa Wireon of Wiron wordt genoemd, vermoedelijk ook tot de pagus Wirense behorend. De naam Fluvium Maresdeop heeft waarschijnlijk geleid tot de veronderstelling dat hier sprake is van Wieringen. De naam Maresdeop doet denken aan het huidige - overigens later ontstane - zeegat “het Marsdiep”. Een “zeediep”, zo dit de juiste vertaling is, kan echter overal liggen.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Méér nog zal de “interpretatie Wieringen” beïnvloed zijn door de in andere excerpten genoemde “pagus Thesla”. Naast Thesla vinden we als namen voor dezelfde pagus Tyesle, Tyele, Tyelle. In deze pagus komen we de namen Bretenheim, Witmunthem en Ganckgale tegen, plaatsen die ook in het Utrechtse goederenregister vermeld worden. Bovendien worden genoemd Kynlosen, Langenmore, Thyslemore, Lanthoy, Ostmore, Bretenmore, en Kintloson.&lt;br /&gt;De pagus Thesla (Tyesle), zo wordt verondersteld, moet de latere “gouw Tessel” zijn, waarvan Wieringen deel uitmaakte. De bedenkingen tegen een mogelijke prediking van Bonifatius in Wieringen gelden echter evenzeer voor de gouw Tessel.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;In een oorkonde (772 of 776), gericht aan het klooster Laurisham, wordt “Thesla” genoemd naast Leunspih, Elisholz inter Renum et Masam, en Masamuda.&lt;a title="" style="mso-endnote-id: edn1" href="http://www.blogger.com/post-create.g?blogID=9044284167901118874#_edn1" name="_ednref1"&gt;[1]&lt;/a&gt; Waarschijnlijk zullen deze vier plaatsen niet al te ver uit elkaar liggen. In een oorkonde (814), ook gericht aan het klooster Laurisham, wordt “Thesla” genoemd, “gelegen in pago Batawa”.&lt;a title="" style="mso-endnote-id: edn2" href="http://www.blogger.com/post-create.g?blogID=9044284167901118874#_edn2" name="_ednref2"&gt;[2]&lt;/a&gt; Daar zowel Thesla, Elisholz, als Masamuda, in Batawa en Teisterbant liggen (Elisholz tussen Rijn en Maas, Masamuda is Maasmond), mogen we veronderstellen dat ook Leunspih daar is te lokaliseren. Leunspih of Leonspic is identiek aan Lienesbach, Leonesbac en Leonesbah of Leonipich.&lt;a title="" style="mso-endnote-id: edn3" href="http://www.blogger.com/post-create.g?blogID=9044284167901118874#_edn3" name="_ednref3"&gt;[3]&lt;/a&gt;&lt;br /&gt;We zouden kunnen denken aan de plaats “Enspijk”, gelegen aan het riviertje de “Linge”, dat zich door Batawa en Teisterbant slingert. Op de precieze lokalisering van de genoemde plaatsen zullen we hier niet ingaan.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;In OHZ 15 en 16 wordt de villa Widimuntheim genoemd naast villa Lienesbach. In OHZ 23 wordt de villa Witmuntheim genoemd, gelegen in de pagus Tyesle. De combinatie Witmuntheim, Lienesbach, pagus Tyesle, wijst dus naar een ligging in Teisterbant. De pagus Tyesle of Tyele zal dan toch veeleer als de pagus Tiale of Thile of Tiele te interpreteren zijn dan als de pagus Tessel.&lt;br /&gt;In OHZ 17 wordt de villa Wiron genoemd naast Leonesbah. Ook Wiron moet dus in Teisterbant gezocht worden.&lt;br /&gt;Het is dan ook meer dan waarschijnlijk dat de pagus Thesla (Tyele) en de pagus Wirense (Wira) in Teisterbant te lokaliseren zijn.&lt;br /&gt;Ook in Teisterbant waren terpen of wierden, maar dat gebied was reeds in de achtste eeuw redelijk dicht bevolkt. Dorestate dat deel uitmaakte van Teisterbant, moet (vlg. Ludger) in de eerste helft van de achtste eeuw gekerstend zijn.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;De naam Kynlosen of Kintloson wordt wel in verband gebracht met de “Chinnelosara gemerchi”, een grensrivier genoemd in een oorkonde uit 985 ten behoeve van graaf Diederik II.&lt;a title="" style="mso-endnote-id: edn4" href="http://www.blogger.com/post-create.g?blogID=9044284167901118874#_edn4" name="_ednref4"&gt;[4]&lt;/a&gt; Waar deze rivier precies gesitueerd moet worden staat echter niet vast, mogelijk zuidelijker dan wel aangenomen wordt.&lt;br /&gt;Diederik krijgt goederen in bezit, die hij tevoren in leen hield, tussen Lier en (Hollandse) IJssel, in Zonnemere (Zeeland), tussen Medemelacha en Chinnelosara gemerchi, en in de pagus Texla. Waar de pagus Texla ligt is uit de tekst van de oorkonde niet op te maken. Aan het slot van de oorkonde luidt de tekst: “in comitatibus ita nuncupatis Masaland, Kinhem, Texla”. Maar deze zin is vrijwel zeker een interpolatie uit later tijd om tot uitdrukking te brengen dat de giften gezocht moesten worden in Diederiks graafschap in Maasland, Kennemerland en Tessel.&lt;br /&gt;Aan de juistheid van de interpretatie “Wieringen” en “Tessel” kan getwijfeld worden. Dat de “pagus Wirense” binnen het 10e eeuwse bisdom Utrecht moet hebben gelegen, is af te leiden uit de “goederenlijst van Utrecht”. De naam “Wiron” komt óók in deze lijst voor. Mogelijk kan de goederenlijst meer zekerheid verschaffen.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;De naam “Wiron” in de goederenlijst van Utrecht:&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Het goederenregister van de St.-Maartenskerk te Utrecht geeft een opsomming van goederen en rechten van het bisdom in de huidige provincies Utrecht en Holland omstreeks 950.&lt;a title="" style="mso-endnote-id: edn5" href="http://www.blogger.com/post-create.g?blogID=9044284167901118874#_edn5" name="_ednref5"&gt;[5]&lt;/a&gt; De lijst, zoals deze bekend is uit afschriften van einde elfde en begin twaalfde eeuw, zal waarschijnlijk samengesteld zijn tussen 918 en 948.&lt;a title="" style="mso-endnote-id: edn6" href="http://www.blogger.com/post-create.g?blogID=9044284167901118874#_edn6" name="_ednref6"&gt;[6]&lt;/a&gt;&lt;br /&gt;Volgens Blok is de lijst te beschouwen als een opsomming van bezit van het Utrechtse bisdom in het gebied omsloten door Maasmond, Lek, Utrechtse Heuvelrug, het Almere en het Vlie. Blok ziet het goederenregister als een “wenslijst”, met als doel, het terug verwerven van gedurende de noormannenperiode verloren gegaan bezit van het bisdom. Hij plaatst de kern van het rijk van de noormannen Roric en Godfried in Kennemerland. De door Otto I in 948 uitgevaardigde oorkonde, waarin het bezit van Utrecht bevestigd wordt van “Dorestate tot aan de zee” brengt hij in verband met de goederenlijst. Blok acht het mogelijk dat na aankomst van bisschop Balderic in Utrecht de lijst van vroeger bezit aan Otto is voorgelegd. Hij interpreteert de in de lijst genoemde plaatsen dan ook vanuit Wijk bij Duurstede in een gebied begrensd door de Lek, de Utrechtse Heuvelrug en de zee. De overige bezittingen van het bisdom, o.a. in Teisterbant, vallen blijkbaar buiten de opsomming in het goederenregister.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Volgens Henderikx was de goederenlijst van meet af aan gericht tegen de Hollandse graven&lt;a title="" style="mso-endnote-id: edn7" href="http://www.blogger.com/post-create.g?blogID=9044284167901118874#_edn7" name="_ednref7"&gt;[7]&lt;/a&gt;, te beginnen bij graaf Gerulf, bekend sedert de moord op de noorman Godfried in 885. Hij dateert de lijst dan ook iets vroeger, tussen 885 en 948. Hoewel hij het doel van de lijst anders interpreteert dan Blok gaat hij uit van hetzelfde gebied, met de Lek als zuidelijke grens. Ook bij Henderikx valt Teisterbant dus buiten het in de goederenlijst behandelde gebied.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Toch moeten we ons in beide gevallen afvragen waarom in het goederenregister geen plaatsen in Teisterbant genoemd worden. Roric kreeg Dorestate, dat deel uitmaakte van Teisterbant, in leen, waarom zou hij geen belangstelling gehad hebben voor plaatsen ten zuiden van de Lek? Zouden Roric of Godfried nooit goederen van het bisdom in Teisterbant in bezit genomen hebben?&lt;br /&gt;Voor de Hollandse graven, die stamden uit Teisterbant, kan het niet anders geweest zijn. Ook zij moeten interesse gehad hebben voor de goederen in Teisterbant. Dat het bisdom ook daar bezittingen had is bekend. In een oorkonde, gedateerd 850, worden XXV hoeven genoemd, geschonken door een zekere Balderic, allen gelegen in Teisterbant.&lt;a title="" style="mso-endnote-id: edn8" href="http://www.blogger.com/post-create.g?blogID=9044284167901118874#_edn8" name="_ednref8"&gt;[8]&lt;/a&gt; Dat van dit hele bezit geen sprake meer is, omdat het op legale manier tussen 850 en 948 in andere handen was geraakt, is niet te verwachten.&lt;br /&gt;Het is hoe dan ook bevreemdend dat in de goederenlijst bezit in Teisterbant niet genoemd zou zijn. Rest de vraag of dit inderdaad zo is.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Het goederenregister bestaat min of meer uit twee delen (zie ook Blok en Henderikx). Het eerste deel, een vrij strakke opsomming van plaatsen, zal tevens het oudste gedeelte zijn. Het eindigt met de aanduiding van een aantal visrechten. Dan volgt het tweede deel, beginnend met hoeven in Aluitlo in “Wiron”. Dit gedeelte bevat uitgebreide notities, kennelijk later toegevoegd aan de originele lijst.&lt;br /&gt;Wel komen we namen van plaatsen tegen, o.a. Wihtmundhem, Landiage, Westarburghem, Ostarburghem, die we ook in het eerste gedeelte gezien hebben. Verschillende notities hebben kennelijk in de marge of op een blanco pagina van het origineel gestaan en zijn bij afschrift tussen de tekst opgenomen.&lt;br /&gt;In dit tweede gedeelte wordt bezit genoemd in Wiron totaal twee en dertig hoeven, in Beostan-Westanne vijf en twintig hoeven, in Strude twee en zeventig hoeven en er is sprake van verloren gegaan bezit in Texlae.&lt;br /&gt;Wegens de namen “Wiron” en “Texlae” wordt vrijwel dit hele tweede gedeelte van de goederenlijst gezien als handelend over Wieringen en Tessel. Toch zijn er indicaties die in een andere richting wijzen.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;In “Aluitlo in Wiron” wordt een aantal hoeven genoemd met daarbij de namen van de servi die deze hoeven vroeger in bezit hadden. Dit geheel, zo vervolgt de tekst, is nu opgedeeld in twaalf hoeven, waarvan Poppo er één in bezit heeft. Op het moment dat de notitie gemaakt werd, was “Poppo” dus nog in leven.&lt;br /&gt;Wie kan deze Poppo zijn? In een oorkonde, gedateerd 11 april 999, wordt een zekere Poppo genoemd, zoon van Wedigeri. Otto III schenkt het koningsgoed dat Poppo in leen heeft gehad in de villa Arkel en elders in Teisterbant aan de kerk van Utrecht.&lt;a title="" style="mso-endnote-id: edn9" href="http://www.blogger.com/post-create.g?blogID=9044284167901118874#_edn9" name="_ednref9"&gt;[9]&lt;/a&gt; Zowel Blok als Henderikx zijn van mening dat Poppo dezelfde moet zijn als graaf Radboud, zoon van Waldger, kleinzoon van Gerulf. Deze Radboud was, evenals zijn vader, graaf van o.a. Teisterbant. Dat hij tevens bezit had in Wieringen (buiten zijn graafschap) is niet volstrekt onmogelijk, maar dat de hoeve van Poppo in Teisterbant te lokaliseren is, is méér waarschijnlijk. Ook de overige hoeven in “Wiron” moeten dan in Teisterbant gezocht worden.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;De XXV hoeven gelegen in Beostan-Westanne (beoosten het westeinde?) zijn mogelijk dezelfde als de XXV hoeven in Teisterbant die Balderic in 850 aan het bisdom geschonken had.&lt;br /&gt;Van de zestig en XII hoeven in Strude (dat Strude te interpreteren is als Stroe op Wieringen is niet erg waarschijnlijk, het moet een groter gebied betreffen) worden van de twaalf apart genoemde hoeven de servi, die deze hoeven vroeger in bezit hadden, genoemd. Deze notitie van twaalf hoeven met hun servi is waarschijnlijk in het origineel, bijvoorbeeld op een blanco pagina, apart genoteerd geweest en later tussen de tekst gevoegd.&lt;br /&gt;Zo wordt hier ook - kennelijk vanuit de marge - een heel vreemde zin tussengevoegd: “quae fuerunt Dei sanctorum Martini, Bonifacii, Vvillibrordi, Liudgeri, Landberti et domni regis, in Bante”.&lt;br /&gt;Te vertalen als: “Die ooit in bezit waren van Gods heiligen Martinus, Bonifatius, Willibrordus, Ludger, Lambertus, en de heer koning, in Bante”.&lt;br /&gt;Deze notitie (vroeger in de marge) wordt als volgt geïnterpreteerd: twee en zeventig hoeven, die de kerk ven Utrecht (de Martinuskerk), de abdijen van Fulda (Bonifatius), Echternach (Willibrord), Werden (Ludger), de kerk van Luik (Lambertus) en de koning, in Bante hebben bezeten.&lt;br /&gt;Een m.i. niet echt bevredigende verklaring. Waarom zou in de goederenlijst van Utrecht vroeger bezit van de kloosters Fulda, Echternach etc. worden genoemd? Is het niet gewoon bezit van de Martinuskerk van Traiectum o.a. verkregen uit vroeger bezit van Lambertus, Willibrord, Bonifatius, Ludger, en de koning, in Teisterbant (Bante)?&lt;br /&gt;Al deze heiligen en de koning kunnen bezit gehad hebben in Teisterbant, een gegeven dat uitsluitend voor Teisterbant geldt. Zelfs Lambertus, die volgens zijn vitae in Taxandrië tot in het grensgebied van Teisterbant predikte, kan hier bezit gehad hebben.&lt;br /&gt;Aan het slot van het goederenregister wordt genoteerd dat de goederen op het “insula Texlae”, verloren zijn gegaan tijdens het episcopaat van bisschop Odilbald (in 898 overleden). Dat hier sprake is van het huidige eiland Texel (dat in die tijd waarschijnlijk nog geen eiland was) is uit de tekst niet op te maken.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Bonifatius&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;In de vita van Gregorius &lt;a title="" style="mso-endnote-id: edn10" href="http://www.blogger.com/post-create.g?blogID=9044284167901118874#_edn10" name="_ednref10"&gt;[10]&lt;/a&gt;, geschreven door Ludger (±795), vertelt deze dat Bonifatius zijn prediking in Fresia begon vanuit Wyrda, dat op de oever van de Rhenus gelegen was.&lt;br /&gt;Indien Wiron in Teisterbant te lokaliseren is, wordt met Wyrda mogelijk dezelfde plaats aangeduid. In dezelfde vita vermeldt Ludger dat de vermaarde plaats Dorestate (dat deel uitmaakte van Teisterbant), en dat deel van Fresia reikend tot aan de westelijke oever van de Lagbeki, omstreeks 750 tot de christenheid gerekend werd. Gedurende de regeringstijd van Pepijn III, de Korte (741-768) lag bij de Lagbeki de grens tussen de christelijke en de heidense Friezen. Teisterbant moet dus eerder, mogelijk mede door de prediking van Bonifatius, gekerstend zijn.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Conclusie&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;In de goederenlijst vinden we geen bevestiging van de interpretatie “Wiron is Wieringen, en Texlae is Tessel”. De mogelijkheid dat in het tweede gedeelte van de lijst bezittingen in Teisterbant opgesomd worden en dat de gangbare interpretatie “Wieringen en Tessel” onjuist is, is meer dan waarschijnlijk. Wegens schaarste aan gegevens is noch het een, noch het ander echt te bewijzen. Echter, wanneer aan de codex van Fulda conclusies verbonden worden aangaande het missioneringsgebied van Bonifatius is een juiste lokalisatie van de pagus Wirense wel van belang.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;a title="" style="mso-endnote-id: edn1" href="http://www.blogger.com/post-create.g?blogID=9044284167901118874#_ednref1" name="_edn1"&gt;&lt;/a&gt;&lt;br /&gt;[1] Koch: Oorkondenboek van Holland en Zeeland nr.6.&lt;br /&gt;&lt;a title="" style="mso-endnote-id: edn2" href="http://www.blogger.com/post-create.g?blogID=9044284167901118874#_ednref2" name="_edn2"&gt;[2]&lt;/a&gt; Sloet: Oorkondenboek Gelre en Zutfen nr 27.&lt;br /&gt;&lt;a title="" style="mso-endnote-id: edn3" href="http://www.blogger.com/post-create.g?blogID=9044284167901118874#_ednref3" name="_edn3"&gt;[3]&lt;/a&gt; Koch: Oorkondenboek van Holland en Zeeland&lt;br /&gt;nr 14.&lt;br /&gt;&lt;a title="" style="mso-endnote-id: edn4" href="http://www.blogger.com/post-create.g?blogID=9044284167901118874#_ednref4" name="_edn4"&gt;[4]&lt;/a&gt; Koch: Oorkondenboek van Holland en Zeeland nr.55.&lt;br /&gt;&lt;a title="" style="mso-endnote-id: edn5" href="http://www.blogger.com/post-create.g?blogID=9044284167901118874#_ednref5" name="_edn5"&gt;[5]&lt;/a&gt; Diplomata Belgica, ed. M. Gysseling en A.C.F. Koch, no 195.&lt;br /&gt;&lt;a title="" style="mso-endnote-id: edn6" href="http://www.blogger.com/post-create.g?blogID=9044284167901118874#_ednref6" name="_edn6"&gt;[6]&lt;/a&gt; Blok D.P.: “Het goederenregister van de St.-Maartenskerk te Utrecht”. Mededelingen van de Vereniging van Naamkunde te Leuven 33 (1957) pp. 89-104.&lt;br /&gt;&lt;a title="" style="mso-endnote-id: edn7" href="http://www.blogger.com/post-create.g?blogID=9044284167901118874#_ednref7" name="_edn7"&gt;[7]&lt;/a&gt; Henderikx P.A.: “Het cartularium van Radbod”. Datum et actum, Publicaties van het Meertens Instituut, deel 29, p.247. Amsterdam 1998.&lt;br /&gt;&lt;a title="" style="mso-endnote-id: edn8" href="http://www.blogger.com/post-create.g?blogID=9044284167901118874#_ednref8" name="_edn8"&gt;[8]&lt;/a&gt; Muller-Bouman: Oorkondenboek van Het Sticht Utrecht nr 67.&lt;br /&gt;&lt;a title="" style="mso-endnote-id: edn9" href="http://www.blogger.com/post-create.g?blogID=9044284167901118874#_ednref9" name="_edn9"&gt;[9]&lt;/a&gt; Muller-Bouman: Oorkondenboek van Het Sticht Utrecht nr.149.&lt;br /&gt;&lt;a title="" style="mso-endnote-id: edn10" href="http://www.blogger.com/post-create.g?blogID=9044284167901118874#_ednref10" name="_edn10"&gt;[10]&lt;/a&gt; Gregorii abbatis Traiectensis, auctore Liudgero.&lt;div class="blogger-post-footer"&gt;&lt;img width='1' height='1' src='https://blogger.googleusercontent.com/tracker/9044284167901118874-8139109559559678361?l=hanskreijns.blogspot.com' alt='' /&gt;&lt;/div&gt;</content><link rel='replies' type='application/atom+xml' href='http://hanskreijns.blogspot.com/feeds/8139109559559678361/comments/default' title='Reacties plaatsen'/><link rel='replies' type='text/html' href='http://www.blogger.com/comment.g?blogID=9044284167901118874&amp;postID=8139109559559678361' title='0 reacties'/><link rel='edit' type='application/atom+xml' href='http://www.blogger.com/feeds/9044284167901118874/posts/default/8139109559559678361'/><link rel='self' type='application/atom+xml' href='http://www.blogger.com/feeds/9044284167901118874/posts/default/8139109559559678361'/><link rel='alternate' type='text/html' href='http://hanskreijns.blogspot.com/2007/12/de-pagus-wirense.html' title='De pagus Wirense'/><author><name>Hans Kreijns</name><uri>http://www.blogger.com/profile/06808236206399647005</uri><email>noreply@blogger.com</email><gd:image rel='http://schemas.google.com/g/2005#thumbnail' width='16' height='16' src='http://img2.blogblog.com/img/b16-rounded.gif'/></author><thr:total>0</thr:total></entry><entry><id>tag:blogger.com,1999:blog-9044284167901118874.post-2251185685171336342</id><published>2007-12-24T07:53:00.000-08:00</published><updated>2007-12-24T08:13:29.125-08:00</updated><title type='text'>De pagus Humerchie</title><content type='html'>De pagus Humerchie,&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;In tegenstelling tot vele andere namen die slechts een of tweemaal genoemd worden, komt de pagus of gouw Hugmerchi herhaaldelijk voor in vroege - over een groot gebied verspreid - bewaarde teksten. Meerdere malen wordt deze gouw genoemd in combinatie met een rivier de “Lagbeki”.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;1. In zijn vita Gregorius, ± 760, zegt Ludger: de grens tussen de christelijke Fresonen en de heidenen ligt aan de oostelijke oever van de “Labeki” (M.G.S. 15,1, pag.71).&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;2. Ludger wordt bisschop over het westelijk gebied van de Saksen. Hij predikte in een gebied gelegen vanaf de oostelijke oever van de “Labeki”, in vijf gouwen hem door Karel de Grote aangewezen, namelijk: Hugmerchi, Hunusga, Emisga, Federitga en het eiland Bant (M.G.S. 2, pag.410). Ludger overleed in 809 als bisschop van Münster.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;3. Bisschop Willehad, ± 780, kwam van de plaats waar Bonifatius vermoord werd, Ostrachië, stak de rivier de “Loveke” over, kwam bij een plaats die Humarcha heet. (M.G.S. 2, pag.378 e.v.).&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;4. Schenking aan het klooster Epternacum, 786: Aan de overzijde van de rivier de “Lauvichi”, in de pagus Hugumarchi, (Wampach, Grundherrschaft nr 96).&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;5. De “Lex Frisonum” noemt Friezen: inter Wiseram (Weser) et “Laubachi”, inter “Laubachi” et Flehi et inter Fli et Sincfalam (Zwin).&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Dat Lagbeki of Labeki, Loveke (Lobeke) en Lauvichi (Laubichi) één en dezelfde rivier zijn, blijkt uit de telkens genoemde gouw Hugmerchi, of Humarcha, of Hugumarchi.&lt;br /&gt;Deze gouw of mark heet m.i. nu de Hohe Mark (Hoge Mark), het gebied tussen Münster en de Lippe, in Münsterland. De “Lagbeki” is de Oude IJssel.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Voor de traditionele wetenschap is de Lagbeki de “Lauwers” in Friesland, Hugmerchi is “Humsterland” in Groningen. Het missioneringsgebied van Ludger zou dus gelegen hebben in de noordelijke streken van de huidige provincie Groningen. Wanneer we ons realiseren dat dit betekende, missionering omstreeks 760 in een nauwelijks bewoond kustgebied dat regelmatig overstroomde, lijkt twijfel aan deze visie gerechtvaardigd.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;De gouw Hugmerchi, of Humerki, komen we weer tegen in een schenkingoorkonde uit 855:&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;De oorkonde van Folckerus, 855. (Excerpt)&lt;br /&gt;“Ik, Folckerus, mij bewust van de vergankelijkheid van dit aardse leven, schenk voor mijn zieleheil en dat van mijn ouders, de aardse bezittingen die mij volgens erfrecht toekomen,&lt;br /&gt;in pago Hamulande in comitatu Wigmanni, tevens in Batuve in comitatu Ansfridi, aan het klooster Werden, met alle gebouwen en aanliggende bossen, wateren, en bijbehorende weiden, gecultiveerde en ongecultiveerde gronden, evenals de horigen van beiderlei kunne, volgens de Ripuarische en de Salische wet evenals de Friese Ewa, in recht en eigendom van voornoemd klooster. Indien om enige reden genoemd klooster teniet zou gaan zullen alle goederen die overgedragen werden aan bovengenoemd klooster voor altijd overgaan naar het klooster van Bonifatius te Fulda.&lt;br /&gt;Dit zijn de namen van de plaatsen van voornoemde erfgoederen,&lt;br /&gt;In de pago die Felua genoemd wordt in de plaats Puthem etc….&lt;br /&gt;In de pago die Flethetti genoend wordt in villa Hrara etc….&lt;br /&gt;Item in insula Batue hoeven etc….&lt;br /&gt;Item een opsomming van de erfgoederen van Folckerus die hij bezit in Frisia.&lt;br /&gt;Item in de pago Kinhem in villa Obbinghem etc….&lt;br /&gt;Item in de pago Westrachi in villa Sceddanvurthi etc….&lt;br /&gt;In pago Humerki in villa Andleda etc….&lt;br /&gt;Akte opgemaakt in de pago die Flethetti genoemd wordt, in de villa genaamd Hlara de zevende November. En in de pago genaamd Batue in de villa die Hlegilo genoemd wordt, de tiende November.&lt;br /&gt;Anno Domini 855. Hildricus subdiaken heeft deze akte opgesteld en ondertekend. Getekend Folkeri.&lt;br /&gt;Getekend Hilderic, Odo, Brodger, Engilrad, Odaccar, Thiatric, Vulfhelm, Athaward, Walthrabban, Thiadrad, Abbo, Egilbradt, Wiger, Sahsger”.&lt;br /&gt;(Lacomblet: Urkundenbuch für die Geschichte des Niederrheins, pag.30).&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Bij lezing van de oorkonde valt het volgende op:&lt;br /&gt;Folckerus kondigt bij het begin van de oorkonde aan dat de bezittingen die hij gaat schenken gelegen zijn in de graafschappen van Wigman en Ansfried, respectievelijk Hamalant en Batuve. Dit geldt dus normaal gesproken voor de hele oorkonde. De tussengevoegde zin "Item een opsomming van de goederen van Folckerus die hij bezit in Frisia" is op deze plaats dan ook heel vreemd. De oorkonde is gesteld in de eerste persoon, “Ego Folckerus”&lt;br /&gt;Alleen de zin “Item commentariolum de hereditate Folkeri quam habet in Frisia” is gesteld in de derde persoon. Deze zin is blijkbaar door een derde later tussengevoegd. Waarschijnlijk was dit een notitie boven of in de marge van het origineel, bij afschrijving door de kopiïst tussen de tekst geplaatst. Verwijderen we de zin uit de tekst en plaatsen we hem boven de akte, dan is de oorkonde logisch, en zonder tegenstrijdigheden.&lt;br /&gt;De pagi Felua, Flethetti, het insula Batue, Kinhem, Westrachi, en Humerki liggen dus in de graafschappen van Wigman en Ansfried. Het geheel ligt in het ducatus Frisia. Het graafschap van Wigman, Hamulande, lag ten oosten van Nijmegen. Batuve, het graafschap van Ansfried, lag rondom Nijmegen.&lt;br /&gt;De pagus Humerchie lag, moeten we aannemen, in het graafschap Hamalant.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Conclusie: De traditionele visie Kinhem is Kennemerland, Westrachi is de Friese Westergo en Hugmerki is Humsterland, is niet juist. In feite zijn geen gegevens bewaard gebleven, die deze visie kunnen staven.&lt;div class="blogger-post-footer"&gt;&lt;img width='1' height='1' src='https://blogger.googleusercontent.com/tracker/9044284167901118874-2251185685171336342?l=hanskreijns.blogspot.com' alt='' /&gt;&lt;/div&gt;</content><link rel='replies' type='application/atom+xml' href='http://hanskreijns.blogspot.com/feeds/2251185685171336342/comments/default' title='Reacties plaatsen'/><link rel='replies' type='text/html' href='http://www.blogger.com/comment.g?blogID=9044284167901118874&amp;postID=2251185685171336342' title='1 reacties'/><link rel='edit' type='application/atom+xml' href='http://www.blogger.com/feeds/9044284167901118874/posts/default/2251185685171336342'/><link rel='self' type='application/atom+xml' href='http://www.blogger.com/feeds/9044284167901118874/posts/default/2251185685171336342'/><link rel='alternate' type='text/html' href='http://hanskreijns.blogspot.com/2007/12/de-pagus-humerchie.html' title='De pagus Humerchie'/><author><name>Hans Kreijns</name><uri>http://www.blogger.com/profile/06808236206399647005</uri><email>noreply@blogger.com</email><gd:image rel='http://schemas.google.com/g/2005#thumbnail' width='16' height='16' src='http://img2.blogblog.com/img/b16-rounded.gif'/></author><thr:total>1</thr:total></entry><entry><id>tag:blogger.com,1999:blog-9044284167901118874.post-7684688238827048698</id><published>2007-12-21T11:39:00.000-08:00</published><updated>2007-12-21T11:45:31.377-08:00</updated><title type='text'>Ostrachië en Westrachië</title><content type='html'>Ostrachië en Westrachië.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;In annalen, oorkonden en vitae van vóór het jaar 1000 komen de namen "Ostrachië" en "Westrachië" meerdere malen voor als gebieden die deel uitmaakten van Frisia. De geschiedenis van het huidige Friesland werd al vroeg bestudeerd, en wanneer de naam Frisia genoemd werd, dacht men aan de noordelijke kuststreek van Nederland. Ostrachië en Westrachië werden dan ook geïnterpreteerd als Oostergo en Westergo in Friesland.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Het is niet gemakkelijk zich een beeld te vormen  van het gebied dat nu Nederland heet gedurende de periode van 300 tot 800 n.Chr. &lt;br /&gt;Bodemkundigen en archeologen stellen bepaalde feiten vast, die door schaarse eigentijdse schriftelijke berichten worden bevestigd.&lt;br /&gt;Het is bekend dat in de tweede helft van de derde eeuw het klimaat verslechterde. Het grondwaterpeil steeg, de rivieren konden hun water minder snel afvoeren dan voorheen, zodat grote gebieden regelmatig overstroomden. Daar dijken ontbraken hadden ook stormvloeden vanuit zee vrij spel in de op zeeniveau gelegen gebieden. Zeeland, grote gebieden van Holland, Utrecht, Gelderland, Overijssel, Friesland en Groningen waren niet langer continu bewoonbaar. Archeologen hebben vastgesteld dat de Romeinse forten langs de Oude Rijn  omstreeks 275 n.Chr. werden verlaten, en dat het westelijk en noordelijk deel van het huidige Nederland ontvolkt raakte. De Romeinen verlegden hun grens en de inheemse bevolking trok zich terug op hoger gelegen gronden, ofwel trachtte zich op terpen te handhaven.&lt;br /&gt;Het is onduidelijk hoe we ons Nederland gedurende die periode moeten voorstellen. Welke delen waren continu bewoonbaar, hoe was de loop van de rivieren, waar bevonden zich grote meren, zee-inhammen, etc.?&lt;br /&gt;.&lt;br /&gt;Bezien we op de atlas het gebied van het huidige Nederland dat op zeeniveau of lager ligt, dan kunnen we ons enig idee vormen van die delen van ons land die zonder bedijking - dijken waren er vóór 1000 niet - regelmatig overstroomd moeten zijn, hetzij door stormvloeden van zee, hetzij door de rivieren.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;De beschrijving die de Ravennas ( ± 680) van de toenmalige wereld geeft, vertelt - hoe vaag ook - iets over ons land.&lt;br /&gt;"de Rhenus", zegt hij, "stroomt onder Dorestate in zee".&lt;br /&gt;Zelfs indien we aannemen dat het vroegere Dorestate bij Wijk bij Duurstede gezocht moet worden&lt;a title="" style="mso-endnote-id: edn1" href="http://www.blogger.com/post-create.g?blogID=9044284167901118874#_edn1" name="_ednref1"&gt;[1]&lt;/a&gt;, mogen we veronderstellen dat hij zich zo niet zou uitdrukken indien de monding van de Rijn op de huidige kust lag. Hij legt de kustlijn dus meer oostelijk. Van Frisia is hem weinig meer bekend dan dat het grenst aan Saxonië en zich uitstrekt tot de eilanden in zee.&lt;br /&gt;De Ravennas noemt eilanden langs de noordelijke kusten. Na Saxonië, zegt hij, liggen in zee de eilanden Nordostrachië en Neustrachië. Vrijwel zeker worden Ostrachië en Westrachië hier voor het eerst genoemd.&lt;br /&gt;Dat de Ravennas het huidige Friese Oostergo en Westergo aanduidt is in feite uitgesloten, deze gebieden lagen op zeespiegelniveau en bestonden slechts uit een aaneenschakeling van kweldergebieden. Alleen de heuvels van de Veluwe en de Utrechtse Heuvelrug verhieven zich als twee eilanden boven zeespiegelniveau. Dat deze eilanden, temidden van een uitgestrekt waterland, de door de Ravennas als Nordostrachië en Neustrachië aangeduide eilanden waren, mogen we wél verwachten.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Laten we de teksten waarin Ostrachië en Westrachië genoemd worden volgen, en zien of bovengenoemde veronderstelling juist is.&lt;br /&gt;De eerstvolgende tekst waarin beide namen voorkomen betreft het relaas van de expeditie tegen de opstandige Friezen door Karel Martel in 734. In meerdere annalen wordt  deze gebeurtenis vermeld. De tocht wordt als volgt verhaald:&lt;br /&gt;"praefatus princeps audacter navale evectione praeparat, certatim alto mare ingressus,navim copia adunata, Unistrachia et Austrachia insulas Frigionum penetravit, super Bordine fluvio castra ponens". &lt;a title="" style="mso-endnote-id: edn2" href="http://www.blogger.com/post-create.g?blogID=9044284167901118874#_edn2" name="_ednref2"&gt;[2]&lt;/a&gt;&lt;br /&gt;(voornoemde vorst bereidde een stoutmoedige vlootexpeditie voor, voer de zee op, verenigde zijn schepen, drong de eilanden Unistrachia en Austrachia.binnen en richtte zijn kamp in op de oever van de rivier de Bordine.)&lt;br /&gt;Karel zal met zijn vloot de Rijn of de Maas  zijn afgevaren. Moeten we aannemen dat hij via de Zeeuwse wateren de zee is opgegaan en vervolgens langs de kust richting Friesland?&lt;br /&gt;Of dat hij via de Oude Rijn op een of andere wijze de zee kon bereiken - het IJsselmeer bestond nog niet - om vervolgens door een waddengebied het Friese kwelderland binnen  te dringen? &lt;a title="" style="mso-endnote-id: edn3" href="http://www.blogger.com/post-create.g?blogID=9044284167901118874#_edn3" name="_ednref3"&gt;[3]&lt;/a&gt; Een en ander wordt wel gesteld, maar is op zijn minst zeer onwaarschijnlijk.&lt;br /&gt;Bovendien trok Karel Martel op tegen opstandige Friezen. Het gebied waar hij zijn expeditie op richtte maakte dus al deel uit van  het Frankische rijk. Voor wat betreft Friesland is ook dat onwaarschijnlijk.&lt;br /&gt;Een geografisch gegeven, vermeld door de kanunnik Nicolas van Luik (1140), heeft tot heden weinig aandacht gekregen. In zijn "Vita Landiberti" zegt Nicolas:&lt;br /&gt;"…quo fluvius Mosa Reni fluminis aquis infectus et tumidus iamque se ipso maior fontique suo per omnia dissimilis non longe a mari Anglico Taxandros et ceteros eiusdem regionis accolas a Fresonibus dividit."&lt;br /&gt;(waar de rivier de Maas de rivier de Rijn in zich opnam breidde ze zich uit tot een immense watervlakte niet veel verschillend van de Engelse zee, waardoor Taxandrië en de aanliggende gebieden gescheiden waren van de Friezen). &lt;br /&gt;Kanunnik Nicolas beweert dus dat ten tijde van bisschop Lambertus - de tweede helft van de zevende eeuw - vanaf het punt waar de Maas het water van de Rijn in zich opnam (westelijk van Nijmegen) zich een immense zee-inham uitstrekte. &lt;br /&gt;Deze zeearm moet, veronderstel ik, diep het laaggelegen land binnengedrongen zijn, tot op weinige kilometers van Nijmegen.&lt;br /&gt;Het samenvloeien van Maas en Rijn wordt door Caesar (± 50 v.Chr.) al vermeld bij zijn beschrijving van de strijd met de Usipeten en de Tencteren. Op het einde van het gevecht "…wierpen de mannen die nog over waren zich in de rivier, op het punt waar Maas en Rijn samenstromen".&lt;a title="" style="mso-endnote-id: edn4" href="http://www.blogger.com/post-create.g?blogID=9044284167901118874#_edn4" name="_ednref4"&gt;[4]&lt;/a&gt;&lt;br /&gt;Tacitus verhaalt aan het einde van zijn beschrijving van de opstand van de Bataven (70 n.Chr.) de vlootshow van Civilis: "…zo te zeggen op een kleine zee, gevormd op het punt waar de mond van de Maas het water van de Rijn naar de oceaan brengt".&lt;a title="" style="mso-endnote-id: edn5" href="http://www.blogger.com/post-create.g?blogID=9044284167901118874#_edn5" name="_ednref5"&gt;[5]&lt;/a&gt;&lt;br /&gt;Tacitus vermeldt tevens dat de Romeinse konvooien uit Gallië deze kleine zee opvoeren. Dat deze vaarroute gedurende de gehele Romeinse periode gebruikt werd is ook bekend door de Nehalennia-altaren die bij Colijnsplaat opgevist zijn. &lt;br /&gt;Hier is dus sprake van een zee-inham die tot een bepaald punt westelijk van Nijmegen reikt.&lt;a title="" style="mso-endnote-id: edn6" href="http://www.blogger.com/post-create.g?blogID=9044284167901118874#_edn6" name="_ednref6"&gt;[6]&lt;/a&gt; Deze zee-inham, al in de Romeinse tijd bevaren, zal na de derde eeuw bij natter klimaat zijn uitgegroeid tot de immense watervlakte waarvan Nicolas spreekt.&lt;br /&gt;Het water zal verder oostelijk zijn opgedrongen, waarschijnlijk tot op weinige kilometers westelijk van Nijmegen. Op dit punt zou naar mijn mening Dorestate gezocht moeten worden. Een strategische plaats waar Maas en Rijn op de zee-inham uitmondden. Een plaats, waar een "emporium", een stapelplaats, verwacht mag worden.&lt;br /&gt;Het is voorstelbaar dat Karel Martel met zijn vloot vanaf Maas of Rijn deze zeearm opvoer en vervolgens de Bordine bereikte, een water tussen Veluwe en Utrechtse Heuvelrug, tussen Ostrachië en Westrachië.&lt;br /&gt;Dat de huidige Veluwe in de Merovingische tijd bewoond werd is bekend. Als op het einde van het eerste millennium het grondwaterpeil zakt, verdwijnen hier de bossen en vele nederzettingen. Dan is er ook geen sprake meer van twee eilanden.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;De namen Ostrachië en Westrachië komen we in de teksten weer tegen in verband met de moord op Bonifatius in 754.&lt;br /&gt;Op het einde van zijn leven draagt Bonifatius zijn bisschopszetel te Mainz over aan Lullus. Hij vaart de Rijn af:&lt;br /&gt;"navem ascendit ac per Reni fluminis albeum penetrans nocturna portuum navigio exquesivit loca, donec aquosa Fresonum arva ingrediens trans stagnum, quod lingua eorum dicitur Aelmere".&lt;a title="" style="mso-endnote-id: edn7" href="http://www.blogger.com/post-create.g?blogID=9044284167901118874#_edn7" name="_ednref7"&gt;[7]&lt;/a&gt;&lt;br /&gt;(hij ging aan boord van een schip en door de valleien van de rivier de Rijn kwam hij in de nacht aan in een havenplaats op een uitgelezen plek, en ging het waterrijke Friese gebied binnen over het ondergelopen land, dat in hun taal Aelmere genoemd wordt.) &lt;br /&gt;Die havenplaats, waarvan de naam niet genoemd wordt is, neem ik aan, Dorestate.&lt;br /&gt;Evenals Karel Martel begeeft Bonifatius zich  naar de fluminis Bordne, een water dat de grens vormt tussen het in de volkstaal genoemde "Ostor- en Westeraeche".&lt;a title="" style="mso-endnote-id: edn8" href="http://www.blogger.com/post-create.g?blogID=9044284167901118874#_edn8" name="_ednref8"&gt;[8]&lt;/a&gt;&lt;br /&gt;Wat moeten we ons bij het begrip "Aelmere" voorstellen? Men is geneigd dit zonder meer als het IJsselmeer te vertalen. Het IJsselmeer,  de vroegere Zuiderzee, is echter eerst in de twaalfde eeuw ontstaan. Daarvóór was het niet een open zeearm, maar een waterland waar de Vecht en de IJssel zich een weg zochten naar  zee. We moeten het ons voorstellen zoals de overige vrijwel op zeespiegelniveau gelegen gebieden in Nederland. Gebieden met ontelbare kreken en waterlopen, dan weer overstroomd, dan weer land. Het begrip Aelmere zal een veel ruimer begrip zijn geweest dan het gebied dat later het IJsselmeer werd, en dat eerst in de twaalfde eeuw ontstond door inbraak vanuit zee.&lt;br /&gt;Alleen lieden die bekend waren met de eindeloze plassen en waterlopen konden die gebieden bevaren.&lt;br /&gt;Bonifatius werkte de eerste jaren van zijn missiearbeid "in australi parte Almari", in het zuidelijk deel van het Almare.&lt;a title="" style="mso-endnote-id: edn9" href="http://www.blogger.com/post-create.g?blogID=9044284167901118874#_edn9" name="_ednref9"&gt;[9]&lt;/a&gt;&lt;br /&gt;Daarna predikte hij meer oostelijk, in Saksen, vervolgens Hessen en Thüringen. Op het eind van zijn leven keert hij terug naar Frisia. Daar wordt hij tenslotte vermoord, in Austrachië, op de oever van de Bordne, waar hij met zijn gezellen een kamp had opgeslagen.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;De namen Austrachië en Westrachië komen in de noormannentijd, de negende eeuw, enkele malen voor in de bronnen. 846:&lt;br /&gt;"Norhtmanni Ostraciam et Westraciam vastaverunt et vicus Dorestatum cum alliis duabus villis incenderunt igni, vidente Lothario imperatore, cum esset in Noviomago castro, sed scelus ulcisci nequiverat".&lt;br /&gt;(de noormannen hebben Ostraciam en Westraciam verwoest en de vicus Dorestate&lt;br /&gt;met twee andere plaatsen. Keizer Lotharius die zich in zijn castrum te Nijmegen bevond, was niet bij machte iets te doen.) &lt;a title="" style="mso-endnote-id: edn10" href="http://www.blogger.com/post-create.g?blogID=9044284167901118874#_edn10" name="_ednref10"&gt;[10]&lt;/a&gt;&lt;br /&gt;Ostraciam, Westraciam en Dorestate worden in één adem genoemd.&lt;br /&gt;Dat er in Dorestate iets te halen viel is bekend, in Westrachië - o.i. de Utrechtse Heuvelrug - eveneens. We hoeven slechts te denken aan het rijke grafveld van Rhenen en aan de belangrijke vondst van Merovingische munten in Remmerden. &lt;br /&gt;De Veluwe bestond in de Karolingische tijd uit dichte loofbossen, afgewisseld met akkers. Het op de Veluwe aanwezige  moerasijzererts leidde tot belangrijke ijzerproductie. Het gebied was toentertijd dicht bewoond. De kaalslag van bossen ten behoeve van de ijzerproductie, tezamen met de droogte in het laatste kwart van het eerste millennium veroorzaakten zandverstuivingen en tenslotte het ontstaan van het landschap zoals wij de Veluwe nu kennen.&lt;br /&gt;In 873 sneuvelt de Noorman Rodulf, neef van hertog Rorik die het gebied in leen had, in pago Ostrachia.&lt;a title="" style="mso-endnote-id: edn11" href="http://www.blogger.com/post-create.g?blogID=9044284167901118874#_edn11" name="_ednref11"&gt;[11]&lt;/a&gt;&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;De pagus Westrachië wordt genoemd in een schenkingsoorkonde d.d. 855.&lt;a title="" style="mso-endnote-id: edn12" href="http://www.blogger.com/post-create.g?blogID=9044284167901118874#_edn12" name="_ednref12"&gt;[12]&lt;/a&gt;  Folckerus schenkt goederen, gelegen in het graafschap Hamaland en in het graafschap Batuve, aan de abdij van Werden. Er worden zes pagi genoemd, waaronder Westrachi.&lt;br /&gt;De graafschappen Hamaland en Batuve bevonden zich in huidig Midden-Nederland. Westrachië moeten we dus ook dáár, en niet in Friesland lokaliseren. De akte werd ook daar opgemaakt, in Hlara (Laar bij Rhenen) en in Hlegilo (onbekend) in het graafschap Batuve.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Als vanaf de achtste eeuw ket klimaat in Nederland droger wordt; het grondwaterpeil zakt; dijken aangelegd worden; ontstaat een totaal ander Nederlands landschap.  &lt;br /&gt;Geschiedvorsers uit de zestiende eeuw, die met de toenmalige kennis de geschiedenis van Frisia en de Friezen trachtten te reconstrueren uit oude schriftelijke bronnen, is het nauwelijks kwalijk te nemen dat zij van het hun bekende landschap uitgingen. De namen van de Friese streken Oostergo en Westergo komen voor vanaf de elfde eeuw. Austrachië en Westrachië in Frisia werden geïnterpreteerd als Oostergo en Westergo in Friesland.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Conclusie: Uit de teksten is beslist niet af te leiden dat Austrachië en Westrachië in Friesland gesitueerd moeten worden. In tegendeel, de combinatie van de gegevens uit de bronnen en de situatie in het eerste millennium duiden op lokalisatie op de Veluwe en de Utrechtse Heuvelrug.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;a title="" style="mso-endnote-id: edn1" href="http://www.blogger.com/post-create.g?blogID=9044284167901118874#_ednref1" name="_edn1"&gt;[1]&lt;/a&gt; o.i. lag Dorestate weinig km ten westen van Nijmegen.&lt;br /&gt;&lt;a title="" style="mso-endnote-id: edn2" href="http://www.blogger.com/post-create.g?blogID=9044284167901118874#_ednref2" name="_edn2"&gt;[2]&lt;/a&gt; Chronicarum Fredegarii Continuationes, hfd. 17.&lt;br /&gt;&lt;a title="" style="mso-endnote-id: edn3" href="http://www.blogger.com/post-create.g?blogID=9044284167901118874#_ednref3" name="_edn3"&gt;[3]&lt;/a&gt; H.Halbertsma, Frieslands Oudheid. p. 254, Utrecht 2000.&lt;br /&gt;&lt;a title="" style="mso-endnote-id: edn4" href="http://www.blogger.com/post-create.g?blogID=9044284167901118874#_ednref4" name="_edn4"&gt;[4]&lt;/a&gt; Caesar, De bello Gallico, IV, 14.&lt;br /&gt;&lt;a title="" style="mso-endnote-id: edn5" href="http://www.blogger.com/post-create.g?blogID=9044284167901118874#_ednref5" name="_edn5"&gt;[5]&lt;/a&gt; Tacitus, Historiën, V, xxiii-xxiiii.&lt;br /&gt;&lt;a title="" style="mso-endnote-id: edn6" href="http://www.blogger.com/post-create.g?blogID=9044284167901118874#_ednref6" name="_edn6"&gt;[6]&lt;/a&gt; Het lijkt mij niet onmogelijk dat de door Ptolemaeus genoemde kustplaats van de Bataven "Lugodeinum" hier gesitueerd moet worden.&lt;br /&gt;&lt;a title="" style="mso-endnote-id: edn7" href="http://www.blogger.com/post-create.g?blogID=9044284167901118874#_ednref7" name="_edn7"&gt;&lt;/a&gt;Dit Lugodeinum is mogelijk een verbastering van Duodecimum&lt;br /&gt;[7] Vita Bonifatii door Willibald. Hoofdstuk  8.&lt;br /&gt;&lt;a title="" style="mso-endnote-id: edn8" href="http://www.blogger.com/post-create.g?blogID=9044284167901118874#_ednref8" name="_edn8"&gt;[8]&lt;/a&gt; Vita Bonifatii door Willibald. Hoofdstuk  8. &lt;br /&gt;&lt;a title="" style="mso-endnote-id: edn9" href="http://www.blogger.com/post-create.g?blogID=9044284167901118874#_ednref9" name="_edn9"&gt;[9]&lt;/a&gt; Vita Gregorii door Ludger. Hoofdstuk 2.&lt;br /&gt;&lt;a title="" style="mso-endnote-id: edn10" href="http://www.blogger.com/post-create.g?blogID=9044284167901118874#_ednref10" name="_edn10"&gt;[10]&lt;/a&gt; Annales Xantenses 846.&lt;br /&gt;&lt;a title="" style="mso-endnote-id: edn11" href="http://www.blogger.com/post-create.g?blogID=9044284167901118874#_ednref11" name="_edn11"&gt;[11]&lt;/a&gt; Annales Xantenses 873.&lt;br /&gt;&lt;a title="" style="mso-endnote-id: edn12" href="http://www.blogger.com/post-create.g?blogID=9044284167901118874#_ednref12" name="_edn12"&gt;[12]&lt;/a&gt; Urkundenbuch für die Geschichte des Niederrheins, pag.30.&lt;div class="blogger-post-footer"&gt;&lt;img width='1' height='1' src='https://blogger.googleusercontent.com/tracker/9044284167901118874-7684688238827048698?l=hanskreijns.blogspot.com' alt='' /&gt;&lt;/div&gt;</content><link rel='replies' type='application/atom+xml' href='http://hanskreijns.blogspot.com/feeds/7684688238827048698/comments/default' title='Reacties plaatsen'/><link rel='replies' type='text/html' href='http://www.blogger.com/comment.g?blogID=9044284167901118874&amp;postID=7684688238827048698' title='0 reacties'/><link rel='edit' type='application/atom+xml' href='http://www.blogger.com/feeds/9044284167901118874/posts/default/7684688238827048698'/><link rel='self' type='application/atom+xml' href='http://www.blogger.com/feeds/9044284167901118874/posts/default/7684688238827048698'/><link rel='alternate' type='text/html' href='http://hanskreijns.blogspot.com/2007/12/ostrachi-en-westrachi.html' title='Ostrachië en Westrachië'/><author><name>Hans Kreijns</name><uri>http://www.blogger.com/profile/06808236206399647005</uri><email>noreply@blogger.com</email><gd:image rel='http://schemas.google.com/g/2005#thumbnail' width='16' height='16' src='http://img2.blogblog.com/img/b16-rounded.gif'/></author><thr:total>0</thr:total></entry><entry><id>tag:blogger.com,1999:blog-9044284167901118874.post-6652776918559357898</id><published>2007-12-19T13:07:00.000-08:00</published><updated>2008-01-08T11:04:17.415-08:00</updated><category scheme='http://www.blogger.com/atom/ns#' term='Kinheim'/><title type='text'>De pagus Kinheim</title><content type='html'>De pagus Kinheim&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Inleiding&lt;br /&gt;In diverse teksten wordt de “pagus Kinheim”vermeld. Kinheim wordt als Kennemerland geìnterpreteerd.&lt;br /&gt;Mogen we op grond van de teksten met zekerheid stellen dat inderdaad Kennemerland aangeduid wordt? We zullen de berichten betreffende "Kinheim" bespreken in volgorde van de tijd waarop ze betrekking hebben. Of al de in de teksten genoemde gegevens betrouwbaar zijn en de lezing van de plaatsnamen correct, laten we hier buiten beschouwing. Het zou te ver voeren in dit artikeltje daar diep op in te gaan.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;De pagus "Kinheim ", achtste eeuw:&lt;br /&gt;In de "Vita Willibrordi" van abt Theofried van Echternach&lt;a title="" style="mso-footnote-id: ftn1" href="http://www.blogger.com/post-create.g?blogID=9044284167901118874#_ftn1" name="_ftnref1"&gt;[1]&lt;/a&gt;, geschreven tussen 1102 en 1105, wordt de volgende schenking vemeld: De villa Adrichaim gelegen in Fresia in de pagus Kinheim aan de rivier de Velisena. Deze schenking aan Willibrord moet ± 720 te Trier hebben plaatsgevonden. Het "Liber Aureus" van Echternach, een door de proost Theoderich van Echternach op het einde van de 12c eeuw samengesteld overzicht van de bezittingen van het klooster Echternach bevat een akte&lt;a title="" style="mso-footnote-id: ftn2" href="http://www.blogger.com/post-create.g?blogID=9044284167901118874#_ftn2" name="_ftnref2"&gt;[2]&lt;/a&gt;, waarin de volgende schenking aan Willibrord genoemd wordt: De kerk gebouwd in de villa Felison in de pagus Kinnehim ter ere van de apostel Paulus gewijd…Aan het einde van deze oorkonde staat de volgende zin: "De ecclesia Wesele, in eodem pago sita, eadem firmanus et anuli nostri sigillo signamus." (Het bezit van de kerk van Wesel, ook in de pagus Kinheim gelegen, wordt eveneens door ons zegel bevestigd.)&lt;br /&gt;Vanwege de opstelling van de tekst neemt men aan dat de oorkonde van de hand van Theoderich is, omdat de originele akte in zijn tijd reeds verloren was gegaan. De aantekening betreffende Wesel wordt eveneens aan Theoderich toegeschreven.&lt;br /&gt;Wie bovenstaande teksten onbevooroordeeld leest zal niet op het idee komen Felison als "Velsen" en Kinheim als "Kennemerland" te vertalen, een interpretatie die toch algemeen is geaccepteerd. In tegenstelling tot het vrijwel onbewoonbare Kennemerland, is prediking door Willibrord in het gebied noordelijk van Wesel wel te verwachten. Uitgaande van de teksten moeten we in eerste instantie aannemen dat de pagus "Kinheim" in de omgeving van Wesel gezocht moet worden. Nagegaan dient te worden of dit laatste gegeven bevestigd wordt door de overige teksten waarin "Kinheim" genoemd staat. Dat hier Kennemerland aangeduid is en de notitie betreffende Wesel onjuist, zou uit andere teksten duidelijk naar voren moeten komen&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;De pagus "Kinheim", negende eeuw:&lt;br /&gt;In de negende eeuw - de Noormannentijd - wordt de pagus "Kinheim" meerdere malen genoemd. Wanneer de Noorman Godfried in 882 van Karel III, de Dikke, het vroegere rijk van Roric in leen krijgt, wordt dit als volgt beschreven in de annalen van Fulda: "comitatus et beneficia quae Rorich Nordmannus Francorum regibus fidelis in Kinnin tenuerat". (de graafschappen en beneficiën die de aan de Frankische heersers getrouwe Noorman Roric in Kinnin in leen hield).&lt;br /&gt;Regino van Priim noemt Godfrieds gebied: "Fresia provincia”. Hincmar van Reims: "Frisiam aliosque honores, quos Roricus habuerat".&lt;br /&gt;De annalen van Fulda leggen om Godfrieds Noormannenrijk te omschrijven de nadruk op "Kinnin". Toen Roric in 850 van Lotharius zijn gebied in leen ontving werd dit aangeduid als: "Dorestate en andere graafschappen".&lt;br /&gt;Plaatsnamen die in verband met hertog Roric genoemd worden zijn Dorestate 850, Gannita 860 3, Noviomagus 870.4 In 872 vaart Roric de Maas op naar Maastricht, om als vazal de eed van trouw af te leggen aan Karel de Kale. 5 In 873 nogmaals, om te Aken de eed af te leggen aan Lodewijk de Duitser. Rorics Noormannenrijk strekte zich dus uit zowel links als rechts van de Maas; na de verdeling van Lotharingen in 870 vormde de Maas immers de grens tussen Oost-Francië en West-Francië.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Als centrum (zie de plaatsnamen) is het gebied rond Nijmegen te beschouwen. Godfried krijgt in 882 bij het verdrag van Haslon juxta Mosam, (Asselt of Elslo aan de Maas), dit vroegere rijk van Roric in leen.&lt;br /&gt;Godfrieds naam komen we in 884 weer tegen in verband met de pagus Chinheim6:&lt;br /&gt;884. Eodem anno Nortmanni, qui in Chinheim ex Denimarca venerant, adsentiente Godefrido Rhenum navigio ascendunt et Diusburh oppido occupate.&lt;br /&gt;(In dat jaar voeren de Noormannen die vanuit Denemarken in Chinheim waren aangekomen, met toestemming van Godfried de Rijn op en namen de stad Duisburg in.)&lt;br /&gt;"Chinheim" hier als Kennemerland te interpreteren is niet bepaald voor de hand liggend. Vanuit Kennemerland de Rijn op te varen is zelfs niet mogelijk. Wanneer we veronderstellen dat Kinheim inderdaad een gebied bij Wesel was, wordt de tekst logisch. In 885 wordt Godfried vermoord te Herispich. Dit Herispich, wordt gezegd, ligt op het punt waar de Rhenus overgaat in twee stromen, de Rhenus en de Wal, die de Batua omvatten.7 Herispich wordt opgevat als Spijk, oostelijk van Nijmegen gelegen, aan de rechterzijde van de Rijn.&lt;br /&gt;Godfried wordt door middel van list gedood door Eberhard, graaf vanHamaland. (Hamaland omvat gebieden ten Oosten en ten Noorden van Nijmegen). Vóór graaf Eberhard is Wigman graaf van Hamaland. Wigman komen we tegen in een schenkingsakte van Folckerus, 855. De bezittingen die volgens deze akte door Folckerus in 855 aan het klooster Werden worden geschonken liggen in de pagu Hamulande in comitatu Wigmanni en in Batuve in comitatu Ansfridi. Het betreft bezittingen in de pagi Felua, Flethetti, het Insula Batue, Kinhem, Westrachi, en Humerki. Kennemerland kan niet gerekend worden tot Hamulande, noch tot Batuve. Het gebied ten Noorden van Wesel behoorde wél tot Hamaland, het ligt dus voor de hand Kinhem dáár te zoeken.&lt;br /&gt;Alle teksten tot de tiende eeuw verwijzen naar het gebied bij Wesel. Ook Herispich, Spijk, ligt m.i. in de pagus Kinheim. Waarom wordt dan toch de interpretatie Kennemerland gegeven?&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Kinnem, tiende eeuw:&lt;br /&gt;De list die in 885 leidde tot de dood van hertog Godfried werd mede voorbereid door een van Godfrieds vazallen, namelijk graaf Gerulf. Gerulf werd voor zijn aandeel in het complot beloond met goederen inTeisterbant en in de kuststreek. Volgens een oorkonde, gedateerd 889 8, in het gebied vanqf deRijn tot aan Swithardeshaga. Men neemt aan dat dit laatst genoemde gebied zich uitstrekte vanaf de Rijn langs de huidige kust met als noordelijke grens Swithardeshaga (mogelijk een bos ter hoogte van het huidige Noordwijk). Gerulf is dan ook te beschouwen als de stamvader van de graven van Holland. Gerulf had twee zonen: Waltger die het oostelijk deel van Gerulfs lenen, o.a. Teisterbant erfde, en Dirk, die het westelijk deel erfde.&lt;br /&gt;Het gebied van Dirk werd later, volgens een oorkonde, gedateerd 15 juni 922, uitgebreid&lt;br /&gt;met de kerk van Egmond en alle toebehoren van Swithardeshaga tot Fortrapa en Kinnem.&lt;br /&gt;Van dit laatste Kinne(m) is inderdaad de naam Kennemerland afgeleid. (1170, Annales&lt;br /&gt;Egmondense”: Kinemaria).&lt;br /&gt;Op grond van dit 10e eeuwse "Kinnem” is de pagus Kinheim, Kinnin, Chinheim, genoemd in&lt;br /&gt;teksten uit de achtste en negende eeuw, geïnterpreteerd als Kennemerland. Toch is er&lt;br /&gt;geen enkele indicatie waaruit op te maken valt dat dit 10e eeuwse Kinnem identiek zou zijn&lt;br /&gt;aan de pagus Kinheim.&lt;br /&gt;Integendeel, nederzettingen uit die vroege tijd zijn in Kennemerland niet aan te tonen, het&lt;br /&gt;gebied ontwikkelt zich eerst vanaf de tiende eeuw.&lt;br /&gt;Uit de teksten blijkt dat de pagus Kinheim om en ten noorden van Wesel gezocht moet&lt;br /&gt;worden.&lt;br /&gt;Nijmegen zou zich moeten realiseren dat het centrum van het Noormannenrijk, en het&lt;br /&gt;centrum van Fresia, volgens de gegevens uit vroege teksten, in haar omgeving te situeren is.&lt;br /&gt;1 Vita s.Willibrordi, M.G.S. 23, p.23.&lt;br /&gt;2 C.Wampach: Geschichte GrundherrschaftEchternach, Quellen I. 2. pag.98.&lt;br /&gt;3 M.G.H. Diplomata Karolinorum Lothar I en II pag. 405.&lt;br /&gt;4. M.G.S. I. pag. 486&lt;br /&gt;5 Annales de St. Bertin: pag.188.&lt;br /&gt;6 Reginonis Chronicon: M.G.S. I, pag.594.&lt;br /&gt;7 Idem, pag. 595.&lt;br /&gt;8 Oorkonden van Holland en Zeeland: nr. 21, 889.&lt;br /&gt;&lt;a title="" style="mso-footnote-id: ftn1" href="http://www.blogger.com/post-create.g?blogID=9044284167901118874#_ftnref1" name="_ftn1"&gt;&lt;/a&gt;&lt;br /&gt;&lt;a title="" style="mso-footnote-id: ftn2" href="http://www.blogger.com/post-create.g?blogID=9044284167901118874#_ftnref2" name="_ftn2"&gt;&lt;/a&gt;&lt;a title="" style="mso-footnote-id: ftn2" href="http://www.blogger.com/post-create.g?blogID=9044284167901118874#_ftnref2" name="_ftn2"&gt;&lt;/a&gt;&lt;div class="blogger-post-footer"&gt;&lt;img width='1' height='1' src='https://blogger.googleusercontent.com/tracker/9044284167901118874-6652776918559357898?l=hanskreijns.blogspot.com' alt='' /&gt;&lt;/div&gt;</content><link rel='replies' type='application/atom+xml' href='http://hanskreijns.blogspot.com/feeds/6652776918559357898/comments/default' title='Reacties plaatsen'/><link rel='replies' type='text/html' href='http://www.blogger.com/comment.g?blogID=9044284167901118874&amp;postID=6652776918559357898' title='1 reacties'/><link rel='edit' type='application/atom+xml' href='http://www.blogger.com/feeds/9044284167901118874/posts/default/6652776918559357898'/><link rel='self' type='application/atom+xml' href='http://www.blogger.com/feeds/9044284167901118874/posts/default/6652776918559357898'/><link rel='alternate' type='text/html' href='http://hanskreijns.blogspot.com/2007/12/de-pagus-kinheim.html' title='De pagus Kinheim'/><author><name>Hans Kreijns</name><uri>http://www.blogger.com/profile/06808236206399647005</uri><email>noreply@blogger.com</email><gd:image rel='http://schemas.google.com/g/2005#thumbnail' width='16' height='16' src='http://img2.blogblog.com/img/b16-rounded.gif'/></author><thr:total>1</thr:total></entry><entry><id>tag:blogger.com,1999:blog-9044284167901118874.post-2844706006765440622</id><published>2007-12-18T07:40:00.000-08:00</published><updated>2007-12-21T07:30:24.526-08:00</updated><title type='text'>Urbis Traiectensis</title><content type='html'>&lt;em&gt;Urbis Traiectensis…&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;In het hier volgende overzicht zijn de schriftelijke bronnen, waarin de plaatsnaam “Traiectum” genoemd wordt, chronologisch gerangschikt tot ± 900. De opsomming is niet volledig, daar op veel plaatsen sprake is van herhaling. Alle mij bekende bronnen betreffende de plaats(en) “Traiectum” zijn aangehaald.&lt;br /&gt;Vóór 950 wordt nooit een nadere aanduiding gegeven bij de plaats Traiectum. Eerst ná 950 wordt er onderscheid gemaakt tussen “Traiectum superior- Maastricht” en “Traiectum inferior-Utrecht”, of tussen “Traiectum ad Mosam-Maastricht” en “Traiectum ad Rhenum-Utrecht”.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;* = Traiectum wordt als Utrecht geduid.&lt;br /&gt;** = Traiectum wordt als Maastricht geduid.&lt;br /&gt;PSHAL = Publications de la Société Historique et Archéologique dans le Limbourg, Maastricht.&lt;br /&gt;M.G.S. = Monumenta Germaniae Historica Scriptorum.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;* 1. Itinerarium Antonini, ± 290.&lt;br /&gt;De route “A Lugduno, caput Germaniarum, Argentorato”:&lt;br /&gt;Albanianis-Traiecto-Mannaricio-Carvone-…etc.&lt;br /&gt;Dit Traiecto, neemt men aan, is Utrecht. Meerdere argumenten zijn aan te voeren voor de hypothese dat met het door Antonini genoemde “Traiectum” Maastricht bedoeld werd.&lt;br /&gt;(Stolte B.: De Romeinse wegen in het land der Bataven en de Tabula Peutingeriana K.N.A.G. 1938, p. 107.&lt;br /&gt;Kreijns J.: Het Traiectum van Antonini en de Peutingerkaart, Maastricht 2000; SEMafoor 3.3. augustus 2002, p.30).&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;** 2. Notitia Galliarum, ± 400.&lt;br /&gt;Lijst van bisdommen van Gallië. VIII. Provincia Germania Secunda – civitates n. II:&lt;br /&gt;Metropolis civitas Agrippinensium, civitas Tungrorum.&lt;br /&gt;Latere bijschriften: in enige handschriften na Tungrorum “civitas Traiectus, id est Uztricht”, één handschrift “Ustreid”.&lt;br /&gt;“Uztricht” en “Ustreid” is Maastricht. De zetel van het bisdom Tongeren werd in de vierde (of vijfde) eeuw overgebracht naar Maastricht.&lt;br /&gt;(Byvanck A.: Excerpta Romana 1e deel, teksten. Den Haag 1931, p.561).&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;** 3. Gregorius van Tours, ± 590.&lt;br /&gt;Aravatius (Servatius) was bisschop van Tongeren. “Hic vero ad Treiectinse urbem accedens…” (Toen hij echter de stad Traiectum [Maastricht] naderde…).&lt;br /&gt;Aravatius…Triiectensis episcopus…&lt;br /&gt;(Gregorii historiarum I. pp.72,74.; H. van Ommeren: Bronnen voor de geschiedenis van Maastricht in PSHAL, deel 127, 1991, nr 6).&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;** 4. Gregorius van Tours, ± 590.&lt;br /&gt;Procedente vero tempore adveniens in hac urbe Monulfus episcopus, templum magnum in eius honore construxit…(Toen dan de tijd verstreek heeft bisschop Monulfus, in deze stad [Maastricht] aankomend, tot zijn [Servatius] eer een grote kerk gebouwd…).&lt;br /&gt;(Gregorii confessorum, p. 790; PSHAL 127, 1991, nr.7).&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;** 5. Childebert II, (Austrasië) 596.&lt;br /&gt;Rijksvergadering koning Childebert II te Maastricht:&lt;br /&gt;Treiectum convenit ut…(te Traiectum [Maastricht] overeengekomen dat…).&lt;br /&gt;(Eckhardt, p.268; PSHAL 127, 1991, nr.8).&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;** 6. Concilia p.282, 614.&lt;br /&gt;Ex civitate Treiecto Bettulfus episcopus. (Bisschop Bettulfus uit de civitas Traiectum [Maastricht]).&lt;br /&gt;(PSHAL 127, 1991, nr.10).&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;** 7. Childerik II, (Austrasië) 669/670.&lt;br /&gt;Koning Childerik II vaardigt te Maastricht een oorkonde uit t.b.v. de kloosters Stavelot en Malmédy.&lt;br /&gt;Traiecto feliciter, (gegeven te Traiectum onder goede voortekens).&lt;br /&gt;(Halkin-Roland, t.I, nr.6, p.23; PSHAL 127, 1991, nr.18).&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;** 8. Ravennatis Anonymi, p.62. ± 690.&lt;br /&gt;…item in predicta Francia Renense iuxta prenominatum fluvium Mosam…sunt civitates, id est Nasaga, Dionantis, Oin, Namon, Neonsigo, Trega. (…eveneens in het bovengenoemde Francia-bij-de-Rijn langs de reeds vermelde rivier de Maas…de volgende plaatsen: Nassogne, Dinant, Hoei, Namen, Luik, Maastricht). In Frisia zijn volgens de Ravennas geen steden, een plaats Utrecht is hem dus niet bekend. Wel vermeldt hij de plaats (of streek) Dorestate in Frisia.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;* 9. Beda, Historia ecclesiastica, geschreven ± 730.&lt;br /&gt;696: Donavit autem ei Pippin locum cathedrae episcopalis in castello suo inlustri , quod antique gentium illarum verbo Viltaburg, id est Oppidum Viltorum, lingua autum Gallica Traiectum vocatur.&lt;br /&gt;(Pepijn gaf hem [Willibrord] een plaats voor zijn zetel in zijn beroemde castellum, dat in de oude taal van dat volk bekend is als Viltaburg, dat is, het oppidum van de Vilten, maar in de Gallische taal is het bekend.als Traiectum).&lt;br /&gt;Gezien het voorgaande is het wel zeer onwaarschijnlijk dat Beda Utrecht aanduidt. Maastricht was bekend, over Traiectum-Utrecht bestaat geen bericht uit die tijd en het Romeinse fort Utrecht was vervallen. Voor wat betreft Viltaburg, de enige keer dat uit de context van een bron is op te maken welk Traiectum met Viltaburg bedoeld wordt, blijkt het Maastricht te zijn. (zie nr. 21).&lt;br /&gt;(Beda: Ecclesiastical History of the Englisch people. Penguin Classics, D.H. Farmer, 1990).&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;* 10. Cartularium van Radboud, oorkonde 1, 722.&lt;br /&gt;…ad monasterium, quod est infra muros Traiecto castro situm constructum,… (…aan het klooster, dat onder de muren van het castrum Traiectum gebouwd is…).&lt;br /&gt;De oorkonde is uitgegeven te Herstal, 20 km ten zuiden van Maastricht. Indien de oorkonde bestemd was voor Utrecht, zou om verwarring te voorkomen welk Traiectum bedoeld werd, een nadere aanduiding verwacht mogen worden. Dit is echter niet het geval. In Maastricht is een klooster bekend sedert het begin van de achtste eeuw, het “monasterio Sancti Servacii”. Abt Wando van Fontenelle verbleef er in ballingschap van 719-747. Karolus… iussit eum…in Traiecto castro exilio trudi.&lt;br /&gt;(Karel …beval dat hij [Wando]…in ballingschap gedreven moest worden, in het fort Maastricht).&lt;br /&gt;(Muller S.: Het oudste cartularium van het Sticht Utrecht. Den Haag 1892.&lt;br /&gt;Gesta Fontanellensis. p.24; PSHAL 127, nr. 59).&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;** 11. Vita Landiberti I. 735.&lt;br /&gt;706: corpus… beatissimi viri …navigaverunt…ad civitatem eius. (Het lichaam …van de zeer heilige man [Lambertus]… hebben zij naar zijn stad verscheept).&lt;br /&gt;Kronieken van St.Denis: het lichaam van Lambertus werd naar “Utret” (Maastricht) gebracht.&lt;br /&gt;(PSHAL 127, 1991, nr.34).&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;* 12. Cartularium van Radboud, oorkonde 3 en 6, 753, 769.&lt;br /&gt;753: …Bonefacius archiepiscopus…aecclesie suae sancti Martini, quae est constructa in vico, qui dicitur Treiecto, super fluvium Reno,…(…aartsbisschop Bonifatius…zijn Martinuskerk, die gebouwd is in de plaats die Traiectum genoemd wordt, aan de rivier de Rijn,…).&lt;br /&gt;763 : Gregorius episcopus…ecclesie sue sancti Martini, que est constructa in vico Traiecto, super fluvium Hreni,…&lt;br /&gt;De tekst van deze twee oorkonden wijst inderdaad op Utrecht. De titel “episcopus” voor Gregorius is echter niet juist. Gregorius is nooit tot bisschop gewijd. Bonifatius was wel aartsbisschop (van Mainz), maar niet van Traiectum. De afschriften van beide oorkonden wijken in de tekst blijkbaar af van de tekst in de originele oorkonden. En uitsluitend in deze twee oorkonden staat de toevoeging “super fluvium Reno (Rheni)”. Ze staan daarmee alléén in het totale overzicht van de plaatsnaam Traiectum. We mogen aannemen dat ook op déze plaatsen in de afschriften correctie of interpolatie heeft plaatsgevonden.&lt;br /&gt;(Muller S.: Het oudste cartularium van het Sticht Utrecht. Den Haag, 1892).&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;* 13. Cartularium van Radboud, oorkonde 4, 753.&lt;br /&gt;…apostolicus vir et in Christo pater Bonifacius, urbis Traiectensis episcopus,… (…apostolische heilige man en vader in Christus, Bonifacius, bisschop van de stad Traiectum…).&lt;br /&gt;In de Egmondse codex is tussen de woorden Bonifacius en Traiectensis ruimte overgelaten ter lengte van één woord. In het Liber Donationum staat: “urbis Traiectensis episcopus”. Bij het 8e eeuwse Utrecht, zoals men zich dit voorstelt, past de term “urbis” niet, vandaar dat Muller ervoor kiest “urbis” weg te laten. Bij Maastricht komt de uitdrukking “urbis” regelmatig voor.&lt;br /&gt;(Muller S.: Het oudste cartularium van het Sticht Utrecht. Den Haag, 1892).&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;** 14. Martyrologium Hieronymianum. 772.&lt;br /&gt;III Idus Maias…in Treiecto depositio sanctissimi Servatii, episcopi et confessoris. XI Kalendas Iunias…in civitate Treiecto dedicatio basilice sancti Michahelis Archangeli.&lt;br /&gt;(3 mei…in Traiectum [Maastricht] de depositio van de zeer heilige Servatius, bisschop en belijder. 21 mei… in de stad Traiectum [Maastricht] de wijding van de basilica [kerk of kapel] van de heilige aartsengel Michaël).&lt;br /&gt;(PSHAL 127, 1991, nr.41),&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;** 15. Diplomatum Karolinorum, t. I, nr.122. 779.&lt;br /&gt;…ut per ullos portos neque per civitates tam in Rodomo quam …neque in Treiecto, neque in Dorestade…teloneus exigetur. (… opdat noch in handelsplaatsen, noch in steden, zowel in Rouaan… als in Maastricht, als in Dorestate…tol wordt geëist).&lt;br /&gt;(Poelman H: Geschiedenis van den handel van Noord-Nederland. Den Haag, 1908.&lt;br /&gt;PSHAL 127, 1991, nr. 43).&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;* 16. Vita Bonifatii door Willibald. Geschreven ± 780.&lt;br /&gt;716: Bonifatius vaart van Lundenwich (London) naar Dorstet… Vervolgens gaat hij naar Trecht, waar hij enkele dagen moet wachten op de komst van Radbod, aan wie hij zijn plannen wil voorleggen.&lt;br /&gt;753: Bonifatius benoemt zijn koorbisschop Eoban tot bisschop van Traiectum. …suo chorepiscopo Eoban…injuncto sibi episcopio in urbe quae vocatur Trecht, subrogavit. (zijn koorbisschop Eoban…&lt;br /&gt;na hem het ambt van bisschop te hebben gegeven in de stad die Trecht genoemd wordt).&lt;br /&gt;754: Na de moord op Bonifatius wordt deze, en de andere martelaren, na enige dagen over het Almere vervoerd naar Traiectum. …perductum est ad supradictam urbem quae dicitur Trecht.&lt;br /&gt;Willibald spreekt dus over “urbs Trecht”.&lt;br /&gt;(M.G.S. II, p.338; M.G.S. II, p.349).&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;* 17. Vita Willibrordi door Alcuinus. Geschreven ± 790.&lt;br /&gt;690: …viro Dei …naviganti…ostia Hreni …et mox ad castellum Traiectum, quod in ipsa ripa eiusdem fluminis situm est, pervenerunt… ( Gods heilige [Willibrord]…zeilde in …de monden van de Rijn… en spoedig kwam hij aan in het castellum Traiectum, dat op de oever van dezelfde rivier gelegen is).&lt;br /&gt;Uit een gedicht van Alcuinus is min of meer af te leiden dat hij (Alcuinus) bij een andere gelegenheid van Traiectum over Dorestate naar Keulen vaart. In beide teksten is Utrecht als Traiectum goed in te passen.&lt;br /&gt;Zo we geloof hechten aan de tekst van Alcuinus moeten “de monden van de Rijn” bij het huidige Katwijk gesitueerd worden. De Zeeuwse wateren worden echter veeleer als de “Ostia Rheni” beschouwd, daar de Rijn bij Katwijk al vroeg verzand is. Uit het gedicht van Alcuinus is op te maken dat zijn schip met een lang touw de rivier werd opgesleept. De afstand tot Traiectum is uit vita noch gedicht vast te stellen. Alcuinus benadrukt in zijn vita van Willibrordus de deugden en heiligheid van Willibrord. Aan juiste historische en geografische gegevens besteedt hij weinig aandacht.&lt;br /&gt;(M.G.S. Rerum Merovingicarum VII, p.120-121; Alcuini Carmina).&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;* 18. Vita Gregorii door Ludger. ± 800.&lt;br /&gt;Beatus Gregorius Traiectum antiquam civitatem et vicum Dorstad cum illa irradiavit…( De heilige Gregorius verlichtte met zijn geloofsleer de oude stad Traiectum en de beroemde plaats Dorestate…).&lt;br /&gt;Dat Ludger Utrecht - zoals we ons die plaats zouden moeten voorstellen rond 750 - als “antiquam civitatem” omschrijft, is in feite uitgesloten. Die term past in die tijd alleen voor de stad Maastricht.&lt;br /&gt;(M.G.S. 15.I, p.71).&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;** 19. Einhardi translatio. ± 830.&lt;br /&gt;…monasterio Sancti Servatii…quod situm est in ripa Mosae fluminis in vico qui hodieque Traiectus vocatur…estque habitantium et praecipue negotiatorum multitudine frequentissimus. (…in het klooster van St.Servatius …dat gelegen is op de oever van de rivier de Maas, in een handelsplaats die thans Traiectum heet… en zeer veel inwoners telt, voornamelijk kooplui).&lt;br /&gt;(PSHAL 127, 1991, nr.56).&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;* 20. Cartularium van het Sticht Utrecht. Oorkonden 9e eeuw.&lt;br /&gt;In een oorkonde van Karel de Grote, gedateerd 777, juni 8, wordt voor het eerst de uitdrukking Traiecto veteri gebruikt. De oorkonden uit 815, 846, 854, 896, 914, zijn gericht aan: veteris Traiecto aecclesio episcopus…(aan de bisschop van de kerk van het oude Traiectum). Deze term is ook hier veeleer op Maastricht dan op het 9e eeuwse Utrecht, zoals we het ons zouden moeten voorstellen, van toepassing.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;** 21. Gesta Fontanellensis. Geschreven ± 835.&lt;br /&gt;Karolus…iussit eum…et in Traiecto castro exilio trudi, quod antiquo gentium illarum vocabula Viltaburg, id est oppidum Wiltorum vocabatur veri lingua gallica Traiectum nuncupatur.&lt;br /&gt;(Karel… beval dat hij [Wando]…in ballingschap gedreven moest worden, in het fort Maastricht, dat in de oude taal van dat volk bekend is als Viltaburg, dat is, het oppidum van de Vilten, maar in de Gallische taal is het bekend als Traiectum). De schrijver van de “Gesta” heeft blijkbaar deze tekst gelezen bij Beda. Dat hij zich vergist, en niet Maastricht bedoelt, is vrijwel uitgesloten. 90 Jaar na datum moet hij zeker wel geweten hebben, in welke stad St.Servatius vereerd werd.&lt;br /&gt;Erat autum adhuc in exilio idem Wando in Traiecto castro.in monasterio videlicet beati Servatii. (Wando zelf echter was nog in ballingschap, in het fort Maastricht in het klooster namelijk van St. Servatius).&lt;br /&gt;(M.G.S. II, p.277; PSHAL 127, nr. 59).&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;* 22. Cartularium van het Sticht Utrecht. 4 Schenkingen 9e eeuw.&lt;br /&gt;828: … ad ecclesiam Sancti Martini in Traiecto veteri constituta, (aan de kerk van St.Martinus gebouwd in het oude Traiectum).&lt;br /&gt;834: … ad ecclesiam Sancti Martini que constructa est in castello Traiecto, (aan de kerk van St.Martinus die gebouwd is in het castellum Traiecto).&lt;br /&gt;838: …Albricus…Traiectensis ecclesie episcopus … (…Albricus…bisschop van de kerk van Traiectum).&lt;br /&gt;850: …Ludgerus…Traiectensis ecclesie episcopus…(…Ludgerus…bisschop van .de kerk van Traiectum).&lt;br /&gt;In de 9e eeuw worden oorkonden gericht of schenkingen gedaan aan de bisschoppen van de kerk van (het oude) Traiectum. Over een enkele tekst uit de 8e eeuw zou nog twijfel kunnen bestaan of Utrecht bedoeld wordt. Er is geen enkele tekst uit de 9e eeuw waaruit af te lezen valt dat Utrecht aangeduid wordt..&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;** 23. Capitularia, t.II, nr.204, p.68. ± 854.&lt;br /&gt;Haec…capitula acta sunt, quando tres reges…simul convenerunt secus municipium Treiectum … (Deze …bepalingen zijn gemaakt toen de drie koningen [Lotharius, Karel de Kale, Lodewijk de Duitser]…even voorbij de versterkte nederzetting Traiectum [Maastricht] samenkwamen…).&lt;br /&gt;(PSHAL 127, 1991, nr.67).&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;* 24. Verdelingsverdrag van Meerssen. 870.&lt;br /&gt;Et hac est divisio, quam sibi Hludowicus accepit: Coloniam, Treveris, Uttrecht, Strastburch, Basulam…(Dit is het deel dat Lodewijk ontving: Keulen, Trier, Trecht, Straatsburg, Basel…).&lt;br /&gt;Het hier genoemde “Uttrecht” is m.i. niet Utrecht, maar Maastricht. De aanduiding Uztricht, Ustreit, Utret voor Maastricht komt vaker voor. (zie nr.2, nr.11, nr.25).&lt;br /&gt;(Annales Bertiniani 870).&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;** 25. De Noorman Roric in Maastricht. 872.&lt;br /&gt;Et in Octobrio mense navigio per Mosam usque Treiectum veniens, cum Rorico et Rodulfo Nortmannis, qui obviam ei navigio venerant, locutus, Roricum sibi fidelem suscepit…(In de maand October kwam hij [Karel de Kale] met een schip over de Maas tot Maastricht; en hij heeft, nadat hij gesproken had met de Noormannen Roric en Rodulf die hem met een schip tegemoet waren gekomen, Roric als zijn vazal aangenomen…).&lt;br /&gt;De kroniek van St. Denis spreekt van “Utret “.&lt;br /&gt;(Annales Bertiniani, p.188; PHSAL 127, 1991, nr.73).&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;** 26. De Noormannen verwoesten Maastricht. 881.&lt;br /&gt;…Plurima loca in regione regis nostri vastaverunt, hoc est Cameracum, Traiectum et pagum Haspanicum totamque Ripuariam, (…zij hebben zeer veel plaatsen verwoest in het rijk van onze koning, namelijk Kamerijk, Maastricht, en de Haspengouw, en heel Ripuarië).&lt;br /&gt;(Annales Fuldenses, p. 114; PSHAL 127, 1991, nr.75).&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;** 27. Koning Arnulf belegt een rijksvergadering te Maastricht. 891.&lt;br /&gt;…actum Traiecto tempore regie sessionis…(gedaan te Traiectum [Maastricht] ten tijde van de zitting van de koning…).&lt;br /&gt;(Arnolfi diplomata, nr.92; PSHAL 127, 1991, nr.79).&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Conclusie: Bovenstaand overzicht overziende, moet m.i. geconcludeerd worden dat er vóór ± 900 slechts één stad ”Traiectum” bestond, het huidige Maastricht. Zelfs indien we de traditie van Willibrords zetel te Utrecht voor waar zouden nemen, zou het 8e eeuwse Utrecht niet méér kunnen zijn dan een jonge, bescheiden nederzetting. Het kan immers moeilijk ontkend worden dat Utrecht na&lt;br /&gt;± 275 eeuwenlang onbewoond was. Dit in tegenstelling tot Maastricht dat continu bewoond bleef; waar handel, tol, en muntslag, aanwijsbaar zijn; waar zich de zetel van het bisdom Traiectum bevond, waar koningen verbleven. Termen als “urbis”, “antiquam civitatem”, en “Traiecto veteris”, zijn op het 8e eeuwse Utrecht niet van toepassing. Het feit dat een nadere aanduiding bij “Traiectum” vóór de tiende eeuw steeds ontbreekt, evenals bronnen die overtuigend naar Utrecht verwijzen, moet tot nadenken stemmen. De vraag “Utrecht of Maastricht?” verdient zeker de aandacht.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;/em&gt;&lt;div class="blogger-post-footer"&gt;&lt;img width='1' height='1' src='https://blogger.googleusercontent.com/tracker/9044284167901118874-2844706006765440622?l=hanskreijns.blogspot.com' alt='' /&gt;&lt;/div&gt;</content><link rel='replies' type='application/atom+xml' href='http://hanskreijns.blogspot.com/feeds/2844706006765440622/comments/default' title='Reacties plaatsen'/><link rel='replies' type='text/html' href='http://www.blogger.com/comment.g?blogID=9044284167901118874&amp;postID=2844706006765440622' title='0 reacties'/><link rel='edit' type='application/atom+xml' href='http://www.blogger.com/feeds/9044284167901118874/posts/default/2844706006765440622'/><link rel='self' type='application/atom+xml' href='http://www.blogger.com/feeds/9044284167901118874/posts/default/2844706006765440622'/><link rel='alternate' type='text/html' href='http://hanskreijns.blogspot.com/2007/12/urbis-traiectensis.html' title='Urbis Traiectensis'/><author><name>Hans Kreijns</name><uri>http://www.blogger.com/profile/06808236206399647005</uri><email>noreply@blogger.com</email><gd:image rel='http://schemas.google.com/g/2005#thumbnail' width='16' height='16' src='http://img2.blogblog.com/img/b16-rounded.gif'/></author><thr:total>0</thr:total></entry><entry><id>tag:blogger.com,1999:blog-9044284167901118874.post-1750351943959587794</id><published>2007-12-18T07:22:00.000-08:00</published><updated>2007-12-18T07:30:43.296-08:00</updated><title type='text'>Dagobertkerkje Maastricht 6de eeuw</title><content type='html'>Het Dagobertkerkje, bisschopskerk, zesde eeuw&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Het naar de Merovingische koning Dagobert (629-639) genoemde "Dagobertkerkje" wordt beschouwd als de 7e eeuwse voorganger van de Utrechtse Martinuskerk, de kathedrale kerk van het door Willibrord gestichte Utrechtse bisdom. Wordt deze veronderstelling inderdaad door de vroegste bronnen bevestigd?&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Een zeer vroege vermelding van dit Dagobertkerkje vinden we in een brief die Bonifatius in 752 of 753 schrijft aan de paus: "…Nu heeft echter de bisschop van Keulen zich de zetel van genoemde bisschop Clemens (Willibrord), die door paus Sergius gewijd werd, toegeëigend en hij zegt dat deze aan hem behoort wegens de fundamenten van een door de heidenen verwoest kerkje, dat Willibrord, met de grond gelijk gemaakt, aangetroffen had binnen de burcht Traiectum en dat hij eigenhandig van de grond af weer heeft opgebouwd en gewijd ter ere van Sint Maarten. Hij (de Keulse bisschop) beweert, dat de burcht Traiectum door de vroegere koning van de Franken Dagobert, samen met de verwoeste kerk, aan het Keulse diocees was gegeven, onder die voorwaarde dat de bisschop van Keulen het volk van de Friezen zou bekeren tot het Christendom en hun prediker zou zijn. Maar dat heeft hij niet gedaan…". &lt;a title="" style="mso-endnote-id: edn1" href="http://www.blogger.com/post-create.g?blogID=9044284167901118874#_edn1" name="_ednref1"&gt;[i]&lt;/a&gt;&lt;br /&gt;De bestaande traditie betreffende Willibrords zetel te Utrecht is reeds zó oud, dat zonder bedenken steeds is aangenomen dat het ± 635 door koning Dagobert geschonken kerkje, in de brief van Bonifatius genoemd, in Utrecht moet hebben gestaan.&lt;br /&gt;Toch is bewoning van Utrecht in de 7e eeuw, het voortbestaan van het Romeinse castellum tot die tijd, en de aanwezigheid van Franken in de eerste helft van de 7e eeuw in Utrechts gebied zéér onwaarschijnlijk. Noch door  archeologie, noch door schriftelijke bronnen kan een en ander aangetoond worden.&lt;br /&gt;Bovendien moeten we ons afvragen waarom de bisschop van Keulen Willibrords bisdom kon opeisen op grond van een onbetekenend kerkje in "Traiectum".&lt;br /&gt;Bonifatius vermeldt in dezelfde brief dat Willibrord het kerkje herbouwde, maar zelf zetelde in de kerk van de Salvator. Toch wordt omstreeks 750 niet de Salvatorkerk, maar het door Willibrord herbouwde en aan Martinus gewijde kerkje de bisschopskerk.     &lt;br /&gt;Deze vreemde gang van zaken is slechts te begrijpen indien we aannemen dat dit kerkje niet onbetekenend was, maar een bepaalde rechtspositie bezat. Uit het vervolg van ons betoog zal blijken dat deze kerk vóór Willibrord al bisschopskerk moet zijn geweest.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;De Geer verwijst naar een bericht van proost Burchard (± 1220) van de abdij van Ursbach, te vinden in het Chronicon Urspergense: &lt;a title="" style="mso-endnote-id: edn2" href="http://www.blogger.com/post-create.g?blogID=9044284167901118874#_edn2" name="_ednref2"&gt;[ii]&lt;/a&gt; &lt;br /&gt;" Sigebertus hic sancto Koniocho episcopatum Trajectensem dedit". (Sigibert droeg toen de bisschoppelijke waardigheid van Traiectum over aan Koniochus).&lt;br /&gt;Sigebert is de zoon van koning Dagobert en vanaf 633 onderkoning van Austrasië. Koniochus moet bisschop Kunibert van Keulen zijn, aan wie het "Dagobertkerkje" ± 635 werd geschonken.&lt;br /&gt;Halbertsma verwijst ook naar deze mededeling: "volgens welke koning Sigebert het bisdom Utrecht aan de heilige Koniochus schonk".&lt;a title="" style="mso-endnote-id: edn3" href="http://www.blogger.com/post-create.g?blogID=9044284167901118874#_edn3" name="_ednref3"&gt;[iii]&lt;/a&gt; Merkwaardig dat Halbertsma spreekt van het "bisdom Utrecht". In 635 bestond er immers nog geen bisdom Utrecht.&lt;br /&gt;Omstreeks 635 had koning Dagobert dus niet slechts een kerkje, maar het bisdom Traiectum geschonken aan Kunibert, de bisschop van Keulen. De "Dagobertkerk" symboliseerde als vroegere bisschopskerk het bisdom.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Dit bericht kan, volgens de oorspronkelijke tekst, slechts betrekking hebben op een bisdom Traiectum dat in 635 inderdaad bestond. Dit kan niet anders dan het bisdom Traiectum-Maastricht zijn. Het door Bonifatius genoemde kerkje van Dagobert  moet dus niet in Utrecht, maar in Maastricht gezocht worden.&lt;br /&gt;Het is niet te verwachten dat deze conclusie - zó in strijd met de traditie - zonder meer aanvaard zal worden. Moet de eis van Keulen op het bisdom van Willibrord anders verklaard worden? Heeft proost Burchhard een en ander niet juist geformuleerd, en moeten we dit late bericht gewoon naast ons neerleggen?  &lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Een ander document echter, de oorkonde no 4 van het "Cartularium van Radboud" &lt;a title="" style="mso-endnote-id: edn4" href="http://www.blogger.com/post-create.g?blogID=9044284167901118874#_edn4" name="_ednref4"&gt;[iv]&lt;/a&gt; leidt&lt;br /&gt;- tenzij  we de akte als vals, of de tekst als onjuist beschouwen - eveneens tot de conclusie:&lt;br /&gt;de akte moet betrekking hebben op een bisschopskerk die reeds bestond op het einde van de zesde eeuw.  &lt;br /&gt;Met deze oorkonde, opgesteld tussen december.751 en juni 754, bevestigt koning Pepijn I aan "apostolicus vir et in Christo pater Bonifatius, urbis Traiectensis episcopus", de immuniteit van de Martinuskerk (de door Willibrord herbouwde Dagobertkerk) te Traiectum.&lt;a title="" style="mso-endnote-id: edn5" href="http://www.blogger.com/post-create.g?blogID=9044284167901118874#_edn5" name="_ednref5"&gt;[v]&lt;/a&gt;&lt;br /&gt;Deze akte geeft een bevestiging van het reeds vroeger aan de kerk van Traiectum verleende privilege van immuniteit, eerder geschonken door: "antecessores nostri vel parentes Clotharius quondam rex et Theodebertus quondam".&lt;br /&gt;Hier wordt verwezen naar koning Chlotharius I (511-561, sedert 555 ook heerser over Austrasië), en naar Theodebert II (595-612).&lt;br /&gt;De immuniteit moet dus reeds ± 560 door Chlotarius I aan de kerk geschonken zijn.&lt;br /&gt;Dat er omstreeks 560 een kerk te Utrecht zou zijn geweest werd door de historici niet aannemelijk geacht. Gosses meende dan ook dat hier sprake moet zijn van Theodebert II, (595-612) en Chlotharius II, (613-629).&lt;a title="" style="mso-endnote-id: edn6" href="http://www.blogger.com/post-create.g?blogID=9044284167901118874#_edn6" name="_ednref6"&gt;[vi]&lt;/a&gt;&lt;br /&gt;Echter, het is bekend dat verlening van immuniteit voor het eerst voorkomt in de tweede helft van de zesde eeuw, uitsluitend  voor bisschopskerken of belangrijke abdijen. Voor een onbetekenend kerkje in Utrecht - meer kon immers niet verwacht worden - is dit privilege, ook in het begin van de zevende eeuw, uitgesloten.&lt;br /&gt;Dit dilemma is onderwerp van een artikel door Dr. D.P. Blok: "Het immuniteitsdiploma van koning Pippijn I voor de St. Maartenskerk te Utrecht".&lt;a title="" style="mso-endnote-id: edn7" href="http://www.blogger.com/post-create.g?blogID=9044284167901118874#_edn7" name="_ednref7"&gt;[vii]&lt;/a&gt;&lt;br /&gt;Blok komt tot de conclusie: "Zoals de oorkonde voor ons ligt, kan hij dus niet echt zijn", en vervolgens: "Toch is het stuk niet reddeloos verloren". Hij stelt dan voor om Theodebertus te emenderen in Theodericus en als vooroorkonders te zien: Chlotarius IV (718 -719) en Theudericus IV (721-737).&lt;br /&gt;Deze wijziging impliceert dat Karel Martel in 718 Radbod verslagen moest hebben, waardoor Utrecht (zo het bestond) in zijn handen viel. Dit wordt echter nergens vermeld. Integendeel, we moeten aannemen dat eerst na Radbods overlijden in 719, Fresia in handen kwam van Karel Martel.&lt;a title="" style="mso-endnote-id: edn8" href="http://www.blogger.com/post-create.g?blogID=9044284167901118874#_edn8" name="_ednref8"&gt;[viii]&lt;/a&gt;&lt;br /&gt;Derhalve is de oorkonde vals, ofwel zij moet betrekking hebben op een "stad Traiectum" die in de tweede helft van de zesde eeuw reeds bisschopsstad was. De akte zelf geeft geen aanleiding te veronderstellen dat hier van een vervalsing sprake is. Conclusie: de akte bevestigt de immuniteit voor een kerk te Maastricht, het Traiectum dat uit de bronnen als bisschopsstad bekend is.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Dr. D.P. Blok eindigt zijn artikel als volgt: "Voor de oudste geschiedenis van Utrecht betekent dit, dat het kerkje van Dagobert nog eenzamer komt te staan in de feitenloze woestijn, die de tijd vóór Willibrord is. Het vormt nauwelijks nog een bewijs voor een krachtige vroege Frankische expansie in Midden-Nederland".    &lt;br /&gt;Blok gaat bij deze constatering uit van zijn aanname dat het eerste immuniteitsdiploma voor de kerk van Traiectum in 718 moet zijn opgesteld en dat het immuniteitsdiploma van&lt;br /&gt;± 753 aan de kerk van Utrecht gericht is. Het idee dat het "Dagobertkerkje" niét in Utrecht gezocht moet worden is zó in strijd met Utrechts traditionele geschiedenis, dat de gedachte dat hier mogelijk van een ander Traiectum sprake zou kunnen zijn, niet opkomt.&lt;br /&gt;De aanname van het bestaan van dit kerkje in Utrecht in 635, leidde tot de conclusie dat de Franken al omstreeks 600 tot Utrecht moesten zijn doorgedrongen en daar, in wat er restte van het in de derde eeuw verlaten Romeinse castellum, een kerkje hadden gesticht. Vervolgens zouden dan de Franken kort na 635 door de Friezen uit het gebied zijn verdreven, om eerst  aan het einde van de zevende eeuw - nadat de Frankische hofmeier Pepijn van Herstal de Friese dux Radbod had weten te verslaan - weer terug te keren naar Utrecht. Deze interpretaties, afgeleid uit het veronderstelde "Dagobertkerkje" te Utrecht, hebben weer tot nog andere conclusies geleid. Noch de "krachtige expansiepolitiek" van de Frankische koningen in Midden-Nederland, noch de wisselende strijd tussen Franken en Friezen in de zevende eeuw worden in enig vroeg bericht vermeld.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Zijn andere oorkonden betreffende de schenking van immuniteit aan de bisschopskerk van Maastricht bewaard gebleven? Helaas is dat niet het geval. Wel vertelt kanunnik Nicolas van Luik (± 1140), auteur van een vita van Lambertus, over een in zijn tijd nog bestaand immuniteitsdiploma, verleend aan de bisschopskerk van Lambertus. Deze oorkonde berustte volgens Nicolas in het archief van de kanunniken van St. Lambert in Luik. Zij is inmiddels verloren gegaan.&lt;br /&gt;Koning Clovis III (690-694) bevestigde met dit diploma de immuniteit van de bisschopskerk te Maastricht. Nicolas verhaalt het in zijn vita Landiberti als volgt:"Hoe grote achting dan en aanzien de heilige Lambertus bij de koning genoot, blijkt ten duidelijkste op het moment dat deze vredelievende koning hem niet alleen bisschop maar ook " vader" en "apostolische man" noemt ("patrem" et "apostolicum virum") in dat privilege dat hij op verzoek van deze heilige bisschop uitvaardigde voor de immuniteit en de bezittingen (pro immunitate et possessionibus) van de kerk van de H. Maagd Maria, in wier naam en eer in die tijd te Maastricht, na Tongeren, de achtenswaardige bisschoppelijke zetel gevestigd was".&lt;a title="" style="mso-endnote-id: edn9" href="http://www.blogger.com/post-create.g?blogID=9044284167901118874#_edn9" name="_ednref9"&gt;[ix]&lt;/a&gt;&lt;br /&gt;We kunnen natuurlijk twijfelen aan deze bewering van Nicolas, de akte valt niet meer te controleren. Opvallend is wel dat de formulering "patrem et apostolicum virum", die door Nicolas als bijzonder naar voren wordt gebracht, ook terug te vinden is in de aan Bonifatius gerichte immuniteitsoorkonde van 752/753: "apostolicus vir et in Christo pater Bonifacius, urbis Traiectensis episcopus".&lt;br /&gt;Door de overeenkomst in formulering mogen we veronderstellen dat Nicolas de oorkonde gericht aan Lambertus inderdaad onder ogen heeft gehad, dat we dus zijn verhaal als waar kunnen beschouwen. Het is zelfs niet ondenkbaar dat bij het opstellen van de aan Bonifatius gerichte oorkonde, de oorkonde van Lambertus als model heeft gediend.&lt;a title="" style="mso-endnote-id: edn10" href="http://www.blogger.com/post-create.g?blogID=9044284167901118874#_edn10" name="_ednref10"&gt;[x]&lt;/a&gt;    &lt;br /&gt;&lt;br /&gt;De oorspronkelijke tekst van zowel het immuniteitsdiploma van 752/753, als de brief van Bonifatius, en het late bericht van proost Burchhard, leiden tot de enig mogelijke  vaststelling: het Dagobertkerkje stond in Maastricht.&lt;br /&gt;We kunnen, om welke reden dan ook, blijven vasthouden aan de traditie: Willibrords zetel bevond zich te Utrecht. Tekst en inhoud van de genoemde documenten moet dan wel als "niet betrouwbaar" beschouwd worden. &lt;br /&gt;Echter uitgaande van de wetenschap dat een nederzetting te Utrecht (urbis Traiectensis!) omstreeks 700 niet is aan te tonen; duidelijk aan Utrecht toe te schrijven bronnen (ook de aan een "bisdom Traiectum" gerichte oorkonden vallen daar buiten) van vóór ± 950 niet  te vinden zijn; activiteiten van Willibrord in de wijde omgeving van Utrecht niet bekend zijn;&lt;br /&gt;moet de vraag gesteld worden of de stelling  "de zetel van Willibrord bevond zich te Utrecht" nog wel is vol te houden.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Conclusie: Tenzij we de originele tekst van de besproken documenten als onbetrouwbaar blijven beschouwen, kan met de daarin genoemde plaats "Traiectum" alleen Maastricht bedoeld zijn.&lt;br /&gt;Het "kerkje van Dagobert" moet dan dus de oude bisschopskerk van Maastricht zijn. &lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;a title="" style="mso-endnote-id: edn1" href="http://www.blogger.com/post-create.g?blogID=9044284167901118874#_ednref1" name="_edn1"&gt;[i]&lt;/a&gt; Vertaling Mv. Dr. P. Bange in A.G.Weiler: Willibrords missie, Hilversum 1989.&lt;br /&gt;&lt;a title="" style="mso-endnote-id: edn2" href="http://www.blogger.com/post-create.g?blogID=9044284167901118874#_ednref2" name="_edn2"&gt;[ii]&lt;/a&gt; De Geer B.J.L.: De strijd der Friezen en Franken. p.15, noot. Historisch Genootschap Utrecht, 1850.&lt;br /&gt;&lt;a title="" style="mso-endnote-id: edn3" href="http://www.blogger.com/post-create.g?blogID=9044284167901118874#_ednref3" name="_edn3"&gt;[iii]&lt;/a&gt; Halbertsma H.: Frieslands oudheid. p.231. Utrecht 2000.&lt;br /&gt;&lt;a title="" style="mso-endnote-id: edn4" href="http://www.blogger.com/post-create.g?blogID=9044284167901118874#_ednref4" name="_edn4"&gt;[iv]&lt;/a&gt; Muller-Bouwman: Oorkondenboek van het Sticht Utrecht I, no 40.&lt;br /&gt;&lt;a title="" style="mso-endnote-id: edn5" href="http://www.blogger.com/post-create.g?blogID=9044284167901118874#_ednref5" name="_edn5"&gt;[v]&lt;/a&gt; In het Liber Donationum van Utrecht staat: "Bonifatius, urbis Traiectensis episcopus". In de codex van Egmond is tussen "Bonifatius" en "Traiectensis" ruimte gelaten ter lengte van één woord.&lt;br /&gt;&lt;a title="" style="mso-endnote-id: edn6" href="http://www.blogger.com/post-create.g?blogID=9044284167901118874#_ednref6" name="_edn6"&gt;[vi]&lt;/a&gt; Bijdragen voor Vaderl. Gesch. en Oudheidkunde IV, 9 (1910), p.213. &lt;br /&gt;&lt;a title="" style="mso-endnote-id: edn7" href="http://www.blogger.com/post-create.g?blogID=9044284167901118874#_ednref7" name="_edn7"&gt;[vii]&lt;/a&gt; Tijdschrift voor Geschiedenis LXXV (1962), p.40.&lt;br /&gt;&lt;a title="" style="mso-endnote-id: edn8" href="http://www.blogger.com/post-create.g?blogID=9044284167901118874#_ednref8" name="_edn8"&gt;[viii]&lt;/a&gt; Zie hierover Halbertsma: Frieslands Oudheid, p.92.&lt;br /&gt;&lt;a title="" style="mso-endnote-id: edn9" href="http://www.blogger.com/post-create.g?blogID=9044284167901118874#_ednref9" name="_edn9"&gt;[ix]&lt;/a&gt; P.S.H.A.L. 127, (1991), no 102, p.45.&lt;br /&gt;   De la Haye, Régis: De bisschoppen van Maastricht. p.94.&lt;br /&gt;&lt;a title="" style="mso-endnote-id: edn10" href="http://www.blogger.com/post-create.g?blogID=9044284167901118874#_ednref10" name="_edn10"&gt;[x]&lt;/a&gt; De door kanunnik Nicolaus genoemde aan Maria gewijde kerk, de oude bisschopskerk van Maastricht, moet de door Dagobert ± 635 aan Keulen geschonken kerk zijn. Na verwoesting door Radbod omstreeks 715, herstelt Willibrord de kerk, en wijdt haar aan Martinus.&lt;div class="blogger-post-footer"&gt;&lt;img width='1' height='1' src='https://blogger.googleusercontent.com/tracker/9044284167901118874-1750351943959587794?l=hanskreijns.blogspot.com' alt='' /&gt;&lt;/div&gt;</content><link rel='replies' type='application/atom+xml' href='http://hanskreijns.blogspot.com/feeds/1750351943959587794/comments/default' title='Reacties plaatsen'/><link rel='replies' type='text/html' href='http://www.blogger.com/comment.g?blogID=9044284167901118874&amp;postID=1750351943959587794' title='2 reacties'/><link rel='edit' type='application/atom+xml' href='http://www.blogger.com/feeds/9044284167901118874/posts/default/1750351943959587794'/><link rel='self' type='application/atom+xml' href='http://www.blogger.com/feeds/9044284167901118874/posts/default/1750351943959587794'/><link rel='alternate' type='text/html' href='http://hanskreijns.blogspot.com/2007/12/dagobertkerkje-maastricht-6de-eeuw.html' title='Dagobertkerkje Maastricht 6de eeuw'/><author><name>Hans Kreijns</name><uri>http://www.blogger.com/profile/06808236206399647005</uri><email>noreply@blogger.com</email><gd:image rel='http://schemas.google.com/g/2005#thumbnail' width='16' height='16' src='http://img2.blogblog.com/img/b16-rounded.gif'/></author><thr:total>2</thr:total></entry></feed>
