woensdag 19 december 2007

De pagus Kinheim

De pagus Kinheim

Inleiding
In diverse teksten wordt de “pagus Kinheim”vermeld. Kinheim wordt als Kennemerland geìnterpreteerd.
Mogen we op grond van de teksten met zekerheid stellen dat inderdaad Kennemerland aangeduid wordt? We zullen de berichten betreffende "Kinheim" bespreken in volgorde van de tijd waarop ze betrekking hebben. Of al de in de teksten genoemde gegevens betrouwbaar zijn en de lezing van de plaatsnamen correct, laten we hier buiten beschouwing. Het zou te ver voeren in dit artikeltje daar diep op in te gaan.

De pagus "Kinheim ", achtste eeuw:
In de "Vita Willibrordi" van abt Theofried van Echternach[1], geschreven tussen 1102 en 1105, wordt de volgende schenking vemeld: De villa Adrichaim gelegen in Fresia in de pagus Kinheim aan de rivier de Velisena. Deze schenking aan Willibrord moet ± 720 te Trier hebben plaatsgevonden. Het "Liber Aureus" van Echternach, een door de proost Theoderich van Echternach op het einde van de 12c eeuw samengesteld overzicht van de bezittingen van het klooster Echternach bevat een akte[2], waarin de volgende schenking aan Willibrord genoemd wordt: De kerk gebouwd in de villa Felison in de pagus Kinnehim ter ere van de apostel Paulus gewijd…Aan het einde van deze oorkonde staat de volgende zin: "De ecclesia Wesele, in eodem pago sita, eadem firmanus et anuli nostri sigillo signamus." (Het bezit van de kerk van Wesel, ook in de pagus Kinheim gelegen, wordt eveneens door ons zegel bevestigd.)
Vanwege de opstelling van de tekst neemt men aan dat de oorkonde van de hand van Theoderich is, omdat de originele akte in zijn tijd reeds verloren was gegaan. De aantekening betreffende Wesel wordt eveneens aan Theoderich toegeschreven.
Wie bovenstaande teksten onbevooroordeeld leest zal niet op het idee komen Felison als "Velsen" en Kinheim als "Kennemerland" te vertalen, een interpretatie die toch algemeen is geaccepteerd. In tegenstelling tot het vrijwel onbewoonbare Kennemerland, is prediking door Willibrord in het gebied noordelijk van Wesel wel te verwachten. Uitgaande van de teksten moeten we in eerste instantie aannemen dat de pagus "Kinheim" in de omgeving van Wesel gezocht moet worden. Nagegaan dient te worden of dit laatste gegeven bevestigd wordt door de overige teksten waarin "Kinheim" genoemd staat. Dat hier Kennemerland aangeduid is en de notitie betreffende Wesel onjuist, zou uit andere teksten duidelijk naar voren moeten komen

De pagus "Kinheim", negende eeuw:
In de negende eeuw - de Noormannentijd - wordt de pagus "Kinheim" meerdere malen genoemd. Wanneer de Noorman Godfried in 882 van Karel III, de Dikke, het vroegere rijk van Roric in leen krijgt, wordt dit als volgt beschreven in de annalen van Fulda: "comitatus et beneficia quae Rorich Nordmannus Francorum regibus fidelis in Kinnin tenuerat". (de graafschappen en beneficiën die de aan de Frankische heersers getrouwe Noorman Roric in Kinnin in leen hield).
Regino van Priim noemt Godfrieds gebied: "Fresia provincia”. Hincmar van Reims: "Frisiam aliosque honores, quos Roricus habuerat".
De annalen van Fulda leggen om Godfrieds Noormannenrijk te omschrijven de nadruk op "Kinnin". Toen Roric in 850 van Lotharius zijn gebied in leen ontving werd dit aangeduid als: "Dorestate en andere graafschappen".
Plaatsnamen die in verband met hertog Roric genoemd worden zijn Dorestate 850, Gannita 860 3, Noviomagus 870.4 In 872 vaart Roric de Maas op naar Maastricht, om als vazal de eed van trouw af te leggen aan Karel de Kale. 5 In 873 nogmaals, om te Aken de eed af te leggen aan Lodewijk de Duitser. Rorics Noormannenrijk strekte zich dus uit zowel links als rechts van de Maas; na de verdeling van Lotharingen in 870 vormde de Maas immers de grens tussen Oost-Francië en West-Francië.

Als centrum (zie de plaatsnamen) is het gebied rond Nijmegen te beschouwen. Godfried krijgt in 882 bij het verdrag van Haslon juxta Mosam, (Asselt of Elslo aan de Maas), dit vroegere rijk van Roric in leen.
Godfrieds naam komen we in 884 weer tegen in verband met de pagus Chinheim6:
884. Eodem anno Nortmanni, qui in Chinheim ex Denimarca venerant, adsentiente Godefrido Rhenum navigio ascendunt et Diusburh oppido occupate.
(In dat jaar voeren de Noormannen die vanuit Denemarken in Chinheim waren aangekomen, met toestemming van Godfried de Rijn op en namen de stad Duisburg in.)
"Chinheim" hier als Kennemerland te interpreteren is niet bepaald voor de hand liggend. Vanuit Kennemerland de Rijn op te varen is zelfs niet mogelijk. Wanneer we veronderstellen dat Kinheim inderdaad een gebied bij Wesel was, wordt de tekst logisch. In 885 wordt Godfried vermoord te Herispich. Dit Herispich, wordt gezegd, ligt op het punt waar de Rhenus overgaat in twee stromen, de Rhenus en de Wal, die de Batua omvatten.7 Herispich wordt opgevat als Spijk, oostelijk van Nijmegen gelegen, aan de rechterzijde van de Rijn.
Godfried wordt door middel van list gedood door Eberhard, graaf vanHamaland. (Hamaland omvat gebieden ten Oosten en ten Noorden van Nijmegen). Vóór graaf Eberhard is Wigman graaf van Hamaland. Wigman komen we tegen in een schenkingsakte van Folckerus, 855. De bezittingen die volgens deze akte door Folckerus in 855 aan het klooster Werden worden geschonken liggen in de pagu Hamulande in comitatu Wigmanni en in Batuve in comitatu Ansfridi. Het betreft bezittingen in de pagi Felua, Flethetti, het Insula Batue, Kinhem, Westrachi, en Humerki. Kennemerland kan niet gerekend worden tot Hamulande, noch tot Batuve. Het gebied ten Noorden van Wesel behoorde wél tot Hamaland, het ligt dus voor de hand Kinhem dáár te zoeken.
Alle teksten tot de tiende eeuw verwijzen naar het gebied bij Wesel. Ook Herispich, Spijk, ligt m.i. in de pagus Kinheim. Waarom wordt dan toch de interpretatie Kennemerland gegeven?

Kinnem, tiende eeuw:
De list die in 885 leidde tot de dood van hertog Godfried werd mede voorbereid door een van Godfrieds vazallen, namelijk graaf Gerulf. Gerulf werd voor zijn aandeel in het complot beloond met goederen inTeisterbant en in de kuststreek. Volgens een oorkonde, gedateerd 889 8, in het gebied vanqf deRijn tot aan Swithardeshaga. Men neemt aan dat dit laatst genoemde gebied zich uitstrekte vanaf de Rijn langs de huidige kust met als noordelijke grens Swithardeshaga (mogelijk een bos ter hoogte van het huidige Noordwijk). Gerulf is dan ook te beschouwen als de stamvader van de graven van Holland. Gerulf had twee zonen: Waltger die het oostelijk deel van Gerulfs lenen, o.a. Teisterbant erfde, en Dirk, die het westelijk deel erfde.
Het gebied van Dirk werd later, volgens een oorkonde, gedateerd 15 juni 922, uitgebreid
met de kerk van Egmond en alle toebehoren van Swithardeshaga tot Fortrapa en Kinnem.
Van dit laatste Kinne(m) is inderdaad de naam Kennemerland afgeleid. (1170, Annales
Egmondense”: Kinemaria).
Op grond van dit 10e eeuwse "Kinnem” is de pagus Kinheim, Kinnin, Chinheim, genoemd in
teksten uit de achtste en negende eeuw, geïnterpreteerd als Kennemerland. Toch is er
geen enkele indicatie waaruit op te maken valt dat dit 10e eeuwse Kinnem identiek zou zijn
aan de pagus Kinheim.
Integendeel, nederzettingen uit die vroege tijd zijn in Kennemerland niet aan te tonen, het
gebied ontwikkelt zich eerst vanaf de tiende eeuw.
Uit de teksten blijkt dat de pagus Kinheim om en ten noorden van Wesel gezocht moet
worden.
Nijmegen zou zich moeten realiseren dat het centrum van het Noormannenrijk, en het
centrum van Fresia, volgens de gegevens uit vroege teksten, in haar omgeving te situeren is.
1 Vita s.Willibrordi, M.G.S. 23, p.23.
2 C.Wampach: Geschichte GrundherrschaftEchternach, Quellen I. 2. pag.98.
3 M.G.H. Diplomata Karolinorum Lothar I en II pag. 405.
4. M.G.S. I. pag. 486
5 Annales de St. Bertin: pag.188.
6 Reginonis Chronicon: M.G.S. I, pag.594.
7 Idem, pag. 595.
8 Oorkonden van Holland en Zeeland: nr. 21, 889.

1 opmerking:

Menno zei

In uw verhaal over de pagus Kinheim gaat u ervan uit, dat Kinheim in de traditionele opvatting dezelfde begrenzing zou hebben als het huidige Kennemerland en dus voor de Noormannen (Denen)ongeschikt zou zijn om vandaaruit de Rijn op te varen naar Duisburg. Dat is m.i. niet het geval, wanneer men ervan uitgaat, dat de zuidelijke grens van Kinheim destijds veel lager heeft gelegen dan de huidige zuidgrens van Kennemerland. Een aanwijzing daarvoor is te vinden in het overbrengen van het lijk van St. Jeroen van Noordwijk naar Egmond. Noordwijk moet onder dezelfde jurisdictie hebben gevallen als Egmond. De monding van de (Oude) Rijn zal in die tijd nog in Kinheim hebben gelegen. Bij de vlootexpeditie van 810 bouwden de Noormannen daar de versterking, die we aanduiden als de Brittenburg (en ten onrechte beschouwen als een Romeinse burcht).

Ik ga ervan uit, dat de naam Kinheim afgeleid is van de rivier de Kene bij Schipluiden, zodat het gehele kustgebied als Kinheim werd aangeduid. Etymologisch wordt ook op verwantschap met de naam van de Kaninefaten gewezen, die Voorburg als centrum zouden hebben gehad.

Menno Knul